Oorlog op het werk

Op het werk praten we vaak over oorlog. Om precies te zijn elke dag om kwart voor 4. Niet omdat ik 80-plussers als collega heb, of omdat er oorlogsvluchtelingen bij ons werken.

Nee, niets van dat alles. Het heeft te maken met Robert. Deze zeergewaardeerde collega is gefascineerd door de Tweede Wereldoorlog.

Het begon onschuldig. Robert strooide met wat weetjes over de oorlog en stelde links en rechts een vraag om te kijken hoeveel wij er eigenlijk over wisten. Conclusie: bedroevend weinig. Dus wat doe je dan als je je kennis wilt etaleren en het niveau van je collega’s wat wilt verhogen? Dan ga je college geven. Elke middag om kwart voor 4, om er een beetje ritme en structuur in te houden.

Zo gezegd, zo gedaan. Sindskort geeft Robert zijn twee naaste collega’s Joshua en Eva college over de oorlog. Elke dag een ander onderwerp, zorgvuldig voorbereid. Aangezien we allemaal vrij dicht bij elkaar zitten, mogen de overige collega’s, waaronder ondergetekende, ook meegenieten van de colleges. Zo weet ik nu bijvoorbeeld dat we de kinderbijslag aan de Duitsers te danken hebben. Ja, je moet er maar op komen.

Maar wat heb je aan colleges als de stof niet ook getoetst wordt? Robert kondigt dus een heus tentamen aan. Joshua en Eva hebben ijverig aantekeningen gemaakt, dus op zich zou het tentamen een fluitje van een cent moeten zijn.

Tentamen door meester RobertVrijdagmiddag kwart voor 4 is het zover. Eerder die dag heeft Robert de tentamens bij mij in bewaring gegeven. Hij was bang dat terwijl hij naar toilet ging, de tentamens gestolen zouden worden. Meester Robert kent zijn pappenheimers. Ik bewaar de tentamens natuurlijk met alle liefde. Vooral omdat ik dan even de gelegenheid heb de tentamenvragen te bekijken. Ik wil wel eens weten wat voor kennis mijn collega gaat toetsen. Oei, ik ben eigenlijk wel blij dat ík geen tentamen hoef te maken:
– In Zeeland werd na de bevrijding doorgevochten. Waarom?
– Hoeveel concentratiekampen waren er in Nederland?
– Leg uit wat er apart was aan de staf van Kamp Westerbork*

De grote vergadertafel wordt ingericht met een kartonnen doos als tussenschot. De studenten zouden anders maar bij elkaar afkijken en dat is niet de bedoeling. Robert neemt plaats aan het hoofd van de tafel en houdt de wacht als een heuse examinator, terwijl Joshua en Eva zwoegen. Er zijn ook bonuspunten te verdienen. Met als resultaat dat Joshua een 10,3 scoort en Eva een 9,8. Op een schaal van 1 tot 10. De wonderen zijn de wereld nog niet uit.

Na het succesvolle tentamen zijn de colleges over de oorlog voorbij. Maar niet getreurd, we zijn nog niet uitgeleerd. Joshua heeft besloten college te gaan geven over speciaalbier. Het is duidelijk, ik zit in een baan waarin ik nog veel kan leren. Over bijvoorbeeld oorlog en speciaalbier.

* PS: de antwoorden:

1. In Zeeland werd doorgevochten omdat daar Franse soldaten gelegerd zaten, die niet onder de nederlandse strijdkrachten vielen.
2. 19 concentratiekampen.
3. Er zaten vooral Joden in de staf van Westerbork.

Troost is een keuze

site“Zo! Hier zul je van opknappen, jongedame!”, zei de barman toen hij met een zwierig gebaar de bestelde cappuccino voor m’n neus zette. Pardon?, dacht ik. Kennelijk zie ik er uit alsof ik die cappuccino hard nodig heb? Hmmm, tsja… misschien ziet zo’n man meer aan mij dan ik denk.

Bootvluchtelingen, een lekkage in huis, regen op je vrije dag en een date die je na de eerste date je twee kopjes thee zelf laat betalen en na de derde date alvast pro-actief meldt dat hij geen behoefte heeft aan intimiteit. Er zijn mensen die om minder van slag raken.
Terwijl het mantra tegenwoordig is: Je moet genieten! / Je moet alles uit het leven halen! / Je moet in je kracht staan! / Geluk is een keuze! Ja ja, het zal allemaal wel. Soms zit het mee, soms zit het tegen.

Maar wacht even, best mooi dat een wildvreemde, de barman in dit geval, ziet wat je nodig hebt. Een heerlijke cappuccino. Nu snap ik de term Bakkie Troost. En lukt het even niet om alles uit het leven te halen, dan troost ik me met een warme romige cappuccino, die ik tot de laatste druppel leegdrink. Heb ik toch nog érgens alles uit gehaald.

BN’er

Deze week is het de Week tegen Eenzaamheid. Zoiets geeft je stof tot nadenken. Voel ik me wel eens eenzaam? Hoeveel vrienden heb ik? Of zegt een getal helemaal niks?

Toen ik verhuisde naar Amsterdam, zeiden sommigen dat ze de ‘grote stad’ zo anoniem vonden, het leek ze erg eenzaam. Iedereen heeft haast en er is niemand die je aankijkt of groet. Ik vind het erg meevallen. En létterlijk eenzaam ben je nooit, met al die mensen om je heen op straat. Vooral in mijn eigen buurt kom ik veel bekenden tegen. En waar je over struikelt in Amsterdam, zijn BN’ers. Het lijkt hier wel een Bekende-Nederlanders-Reservaat. Je doet iets fout als je hier woont en geen BN’er bent, denk ik weleens. Aan de andere kant, iedereen kent wel íemand, dus iedereen is -voor iemand- een Bekende Nederlander. Een opbeurende gedachte.

Wie ik voortdurend tegenkwam in de buurt waar ik eerst woonde, was acteur Cees Geel. De eerste keer dat ik hem zag, was ik erg onder de indruk. “Zomaar bij mij in de buurt! Een echte BN’er, van de televisie!” Uiteraard heb ik mijn gezicht in de plooi gehouden. Ik was toen al drie weken een stoere hoofdstadbewoner tenslotte. Die nooit iemand aankijkt of groet. Maar inwendig juichte ik. Meteen heb ik een berichtje gestuurd naar vriendin M., die ook kickt op BN’ers. Ja, dit was nieuw voor mij, vergeef me mijn provinciale kneuterigheid. In mijn vorige woonplaats Groningen kwam ik slechts Bert Visscher tegen. En die ben je na drie ontmoetingen ook wel zat.

Je zou het niet verwachten, maar ik heb me ook wel eens BN’er gevoeld. Ga op reis naar Iran en je snapt wat een BN’er meemaakt. Overal waar we kwamen werden we aangestaard, aangesproken, werd er gefluisterd en omgekeken, werden er telefoonnummers gevraagd en foto’s gemaakt. Het hoogtepunt vond plaats toen we een moskee passeerden waar een lange rij mannen en jongens stond. Joelen, klappen en juichen. Pas na een uur waren we die moskee voorbij. Een heel bijzondere ervaring.

BN’er zijn voor een paar weken is dus best leuk. Het échte BN’er-schap daarentegen lijkt me toch niks voor mij. Ik waardeer juist de anonimiteit van de grote stad. Ik wil in mijn huispak naar de supermarkt kunnen, zonder dat meteen in de bladen staat: “Breaking: Marion Vetter doet haar boodschappen in groene trainingsbroek met gele strepen! En belangrijker: wie is die onbekende man aan haar arm?!” Nee hoor, laat mij maar lekker ‘eenzaam’ naar de supermarkt gaan.
En in het kader van de Week tegen Eenzaamheid zal ik deze week extra uitbundig zwaaien naar mijn hoogbejaarde overbuurvrouw. Ik ken haar niet heel goed, maar zij is wel een Bekende Nederlander. Bekend bij mij.

Een nieuwe liefde

Sinds kort date ik met een vrouw. De afgelopen jaren sprak ik zo nu en dan met mannen af, maar geen van deze dates is uitgegroeid tot een echte relatie. Dat lag soms aan de man in kwestie, maar vaker nog aan mij. Langzaam maar zeker werd me duidelijk dat ik een andere koers moest gaan varen.

Er waren zeker leuke mannelijke exemplaren bij hoor. Zo heb ik bijvoorbeeld goede herinneringen aan T., die ik –vers in Amsterdam– ontmoette op een bootje en die me in de weken daarna onbewust wegwijs heeft gemaakt in de stad. Of aan C., met wie ik ging frisbeeën en wijn drinken in het Vondelpark. En natuurlijk aan H., mijn laatste echte crush, die veel voor me betekende. Hij leerde me brood met pindakaas en banaan te eten. hart-2

Aan sommige anderen wil ik liever niet herinnerd worden, zoals aan diegene die mijn twee kopjes thee na afloop van de date wilde verrekenen. Niet in natura gelukkig. Of aan de enthousiasteling die me elke avond dit soort berichten stuurde: “Ey, hoe was je dag?” “Ey, hoe gaat het met je?” Heren. Je spreekt een dame niet aan met “Ey”. Verzin alsjeblieft iets charmanters. En nu niet gaan zeggen dat ik geen dame ben.

Maar goed, been there, done that. Tijd voor iets nieuws. En ik moet zeggen, het bevalt me. We hebben al veel leuke dingen gedaan samen. Gewandeld in het Amsterdamse Bos, langs de grachten geslenterd en naar een museum geweest. Samen geluierd op de bank met thee en chocola. Ja, ze is erg veelzijdig en dat maakt haar aantrekkelijk. Ik neem haar zelfs al mee naar afspraken met vriendinnen. Langzaam maar zeker wen ik aan het idee. Daten met mannen, het hoeft voor mij niet meer. Ik ga me nu focussen op mijn vriendin. We zitten nog in de fase van elkaar leren kennen en aan de situatie wennen, maar toch ook weer niet. Ik ken haar tenslotte al ruim dertig jaar. Ik ben het namelijk zelf. Want volgensmij kun je pas van een ander houden, als je het goed hebt met jezelf en van jezelf houdt. Daarom ga ik de komende tijd veel met mezelf daten. Succes gegarandeerd. Wie weet komt ‘die ander’ dan zomaar voorbij. En zo niet, dan heb ik in ieder geval mezelf om van te houden.

De klusjesman

Ik zit op de wc en kijk omhoog. Naar het plafond recht boven mijn hoofd. Dat bestaat uit onafgewerkte houten planken, bij elkaar gehouden door gele tape.

Enkele maanden daarvoor begon het te lekken in mijn badkamer. Vanaf het plafond, recht boven het toilet.
Wat doet een slimme zelfstandige vrouw dan? Die belt, hup hup, de klusjesman. Gelukkig heeft mijn VVE een vaste klusjesman. Michel, een immer goedgemutste en vooral praatgrage Zaankanter.

Michel komt langs. Hij kan de oorzaak niet meteen vinden en besluit het plafond open te breken. “Wat?! Ga je mijn hele plafond er uit halen?” “Nee joh, ‘k boor er gewoon effe een gat in!” Zo gezegd, zo gedaan. Michel steekt zijn hoofd in het gat. “Oh, ik zie het al”, klinkt het opgewekt. “De standleiding is poreus!” Het lijkt alsof hij er blij mee is. “Kom maar kijken!” Voor ik het goed en wel doorheb, zit mijn hoofd ook in dat plafondgat. Ik zie niets bijzonders, behalve een hoop vermolmd hout en ingewikkelde leidingenstelsels. Lang leve een jaren-dertig-huis. “Ja, een héél duidelijke lekkage!”, roep ik maar naar Michel. Als je er geen verstand van hebt, doe je gewoon alsof.

KlusjesmanAls ik weer op de grond sta, krijg ik plots een ingeving: “De standleiding is door de vorige bewoner al vervangen, dus hoe kan deze nu al lekken?!” “Nee schat, dat is de kéééúúúkenstandleiding.” Ach. Weet ik veel dat er verschillende standleidingen zijn. Ik heb wel iets anders aan mijn hoofd dan na te denken over standleidingen. Misschien moet ik eerst eens aan Michel vragen wat dat eigenlijk precies zijn. Want welke normale vrouw weet zoiets nou?

Fout. Dat had ik beter niet kunnen doen. Michel begint een ellenlange verhandeling over nut en noodzaak van standleidingen. Over aansluitstukken, hellingen van 45 graden, vallend water, luchtstromen, ‘ontspannen’ beluchting, stankhinder, lekkage en versleping. Ik zet mijn intelligentste gezicht op en op gezette tijden knik en hum ik. Hij besluit zijn betoog met fijntjes te vermelden dat het vervangen van de standleiding een “kostbare en zeer ingrijpende” ingreep is. Dank je. Dat kan er ook nog wel bij, Michel. Het voelt alsof ik zelf met mijn hoofd in die standleiding heb gezeten terwijl er 100 kuub water doorheen spoelde.

Snel daarna gaat Michel in fases aan de slag. In no time is het hele plafond verdwenen en is mijn badkamer een bouwplaats. Ik pamper hem met koffie en stroopwafels en gelukkig blijkt de oorzaak toch minder erg dan aanvankelijk geschetst. Maar wat ben ik blij als hij klaar is.
Nu moet alleen het plafond nog gestuct en gesausd worden. Daarvoor komt Michel binnenkort weer. Koffie en stroopwafels kan hij van me krijgen, maar ik ga hem géén vragen meer stellen. Want een slimme meid is op haar praatgrage klusjesman voorbereid.

Herfst

De wind raast door de donkere straten en de regen slaat tegen de ramen. Ik zit nog op kantoor, maar ik wil naar huis. De werkdag is voorbij. Er zit niks anders op dan het slechte weer te trotseren. Overnachten op kantoor is ook zo wat.
Na een half uur ploeteren door de opgefokte stad, kom ik thuis. Zeiknat en chagrijnig. Ik haat dit koude, natte, winderige herfstweer. Regen

Nadat ik opgedroogd ben, plof ik op de bank en lees de bijlage van een oude weekendkrant. Er staat een reportage over vluchtelingen uit Eritrea in. Na Syriërs zijn mensen uit Eritrea de grootste groep asielzoekers in Nederland. Velen zwaar getraumatiseerd. Vrijwel allemaal krijgen ze meteen een verblijfsvergunning. Dat zegt genoeg, tegenwoordig.

Eritrea wordt vergeleken met Noord-Korea vanwege de dictatuur. Jongens en mannen moeten voor onbepaalde tijd het leger in. Soms voor de rest van hun leven. Ze verdienen veel te weinig om hun gezin te onderhouden. Daarnaast hebben ze vaak ook nog eens grote schulden bij mensensmokkelaars die een familielid hebben geholpen met vluchten.

De meeste Eritreeërs die het land ontvluchten, proberen in Ethiopië een bestaan op te bouwen. Als dat niet lukt, reizen ze verder door Sudan en Libië naar Europa. Hierbij zijn ze afhankelijk van meedogenloze mensensmokkelaars en de tocht kan maanden tot jaren duren. Het is een periode vol martelingen, bedreigingen, vrijheidsberoving en afpersing, aldus een hoogleraar en Eritrea-deskundige. “Zij die Europa halen hebben onbeschrijflijk fysiek en seksueel geweld meegemaakt.”

Een 25-jarige jongen komt aan het woord. Zijn foto erbij maakt het verhaal nog indringender. Tijdens zijn eerste vluchtpoging, na drie jaar onafgebroken in het leger, werd hij gepakt en in een van de beruchte ondergrondse gevangenissen gestopt. Met twintig personen in een ondiepe kuil in de grond met een metalen deksel er op, in de woestijn. Een luchtgat ter grootte van een baksteen. Staan was onmogelijk. “Toen ik er na vier maanden uitkwam, was mijn zwarte huidskleur lijkbleek.”
De tweede vluchtpoging van de jongen lukte wel. Een bestaan opbouwen in Ethiopië bleek echter onmogelijk. Hij trok verder. Op zoek naar vrijheid en bestaansrecht. Tijdens de reis door Libië heeft hij ziektes overwonnen, gevangen gezeten en vluchtelingen zien sterven van uitputting. Na een boottocht van vijf dagen op de Middellandse Zee bereikte hij Europa. Hij is uiteindelijk terechtgekomen in Zaandam en probeert daar nu een bestaan op te bouwen. “Zodra ik het hoogste niveau van mijn cursus Nederlands heb bereikt, ga ik studeren. Dan kan ik geld verdienen en dat naar mijn moeder sturen.” Die heeft hij sinds het begin van zijn tijd in het leger niet meer gezien.

Ik ben mijn chagrijnige bui volledig vergeten. Mijn hemel. Wat. Een. Ellende.
De volgende keer dat ik met guur herfstweer op de fiets zit, zal ik denken aan het verhaal van deze veerkrachtige Eritreeër. Ik leef in vrijheid en dat is puur geluk. Ook al voelt die vrijheid soms wat nat en winderig aan.

Loslaten

Afgelopen week heb ik elke nacht even gepiekerd. Over bijvoorbeeld de liefde, de zoveelste lekkage in mijn badkamer en de toestand in de wereld.

Een-voor-een ga ik mijn favoriete piekeronderwerpen bij langs. Met als gevolg dat ik de volgende dag moe ben. Mijn collega’s vermoeden misschien leuke nachtelijke uitstapjes als ze me ’s ochtends met kleine oogjes op kantoor zien verschijnen. Maar niks daarvan.

Ik zou dus beter overdag kunnen piekeren. Op dat bewuste kantoor bijvoorbeeld. Als je 8 uur lang aanwezig bent, kun je best wat tijd vrijmaken om te piekeren toch? Al is het maar een kwartiertje. Piekeren in een mooie lichte ruimte lijkt me ook gezonder dan in een donkere slaapkamer driehoog achter.
Of piekeren in een koffietentje met een flink stuk chocoladetaart erbij. Dan ben je letterlijk ‘lekker’ aan het piekeren. Wie weet zit de liefde van mijn leven toevallig net naast me aan de koffie, dan is dat piekeronderwerp ook meteen de wereld uit. Zo’n gekke gedachte is dat trouwens niet, dat van die liefde. Want het wemelt van de prachtige, goedgetrimde, welriekende heren in de hoofdstedelijke koffiebarretjes. Alleen jammer dat de meesten niet op mij vallen. En dat slechts omdat ik vrouw ben. Discriminatie. Slapen

Maar er is nog iets beters dan overdag piekeren met koffie, taart en gays. Loslaten. Althans dat lees ik in de Libelle van mijn moeder. En Libelle kan het weten. Loslaten is in. Wie ben ik om de tips van zo’n vooraanstaand instituut in twijfel te trekken.
Alleen, wat moet ik dan precies loslaten? Houd ik dan nu iets vast? En hóe laat ik dan los? En wanneer? Doe je zoiets in één keer, of laat je in stapjes los? Elk onderwerp apart? En als je iets hebt losgelaten, komt er dan iets anders voor in de plaats? Of blijft er een holle ruimte over? Ik wil ook weer geen leeghoofd worden. Want om nou nooit meer over de toestand in de wereld na te denken, lijkt me ook niet zaligmakend. Theoretisch snap ik dat hele concept “loslaten” best wel, maar zoiets abstracts in de praktijk brengen, dat is een tweede.

Vriendin X. zou dit weekend naar een workshop “Loslaten” gaan. Zo makkelijk is het kennelijk niet, als je er speciale workshops voor hebt.
Zij versliep zich echter rijkelijk, waardoor ze de workshop miste. Als dat geen loslaten is. Geen workshop meer nodig, deze vriendin. Ik zou een voorbeeld aan haar kunnen nemen.

Ik denk dat ik dus ook maar ga proberen los te laten. Wat en hoe precies, dát weet ik nog niet. Denk dat ik daar vannacht even over ga piekeren.

En we noemen hem…

In een oude krant las ik een bericht over de pasgeboren zoon van Wesley Sneijder en zijn eega Yolanthe. Deze fantasierijke echtelieden hebben hun kind Xess Xava hebben genoemd. Ja, Xess Xava, ja.

Xess. Als je het omdraait staat er Sex. En zeg je Ksess, of Exces? Niet echt een naam met een positieve associatie, in dat tweede geval. Sowieso is die dubbele X niet achter elkaar uit te spreken. Ik hoop dat Xess Xava later niet slist.
En dan die initialen: XXS. Als de jongeman de lengte van zijn oudeheer erft, en die kans ís aanwezig, vind ik zijn initialen toch wat sneu.

Waarom geven mensen hun kinderen zulke rare namen? Vooral BN’ers hebben er een handje van. Namen die ik verderop in het krantenartikel tegenkwam, waren bijvoorbeeld Broos, Tip, Goud, Rocci en Tigerlily. De psychologische verklaring hiervoor is dat mensen die het leuk vinden om in de schijnwerpers te staan, hun kind graag een bijzondere naam geven. Ze denken dat hun kind het ook prettig zal vinden veel aandacht te krijgen. “Maar kom dan niet aan met zo’n prutnaam als Xess Xava”, aldus de geraadpleegde psycholoog. Kijk, deze man heeft verstand van zaken.

BabyIn het bericht wordt verwezen naar de website vernoeming.nl. Ik ben naar Maria vernoemd, niks spannends of theatraals aan. Maar door deze namenkwestie ben ik toch wel benieuwd naar diepgaandere achtergrondinfo over mijn naam. Ik besluit eens op de site te gaan neuzen.

Ik vind niks over mijn eigen naam, maar stuit wel op de lijst De 225 Meest Bizarre Kindernamen Van 2014. Ha, daar word ik nou nieuwsgierig van.
De lijst is ingedeeld in categorieën en je komt bij elke categorie de ráárste namen tegen:

Categorie Wereld:
Dagistan (jongen), Paris-London (meisje)

Onuitspreekbaar:
Ixander-Loän (j), J’raeyllen (j), D’Lycheña-Lee (m)

In de Here:
Godswil (j), Prophedie-Mozes (j)

Celebrity:
Tarantino (j), Berlusconi (j), Birdy (m)

Dirty Mind:
Qut (m), Fokje (m)

En dan nog wat uitsmijters in de categorie Algemeen:

Jongens:
Nacho, Date, Peep, Vos-Joris, Bellend, Muizz.

Meisjes:
Brem, My-Lady, Vlinder-Jezzebelle, Belofte.

Potverdorie, je zult maar zo genoemd worden. Wat ben ik mijn ouders dankbaar dat ze het bij Marion gelaten hebben.
Xess Xava valt bij nader inzien eigenlijk ook wel mee. Maar voor de zekerheid wacht ik eerst de lijst Meest Bizarre Kindernamen van 2015 af. Het zou zomaar kunnen dat Xess Xava er tóch opstaat.

Naar een concert

Hoogste tijd om weer eens een avond uit te gaan. En wat is er in zo’n geval leuker dan een concert? Niets!
Je bekijkt het programma van het poppodium bij jou in het arrondissement, theater Le Bataclan.

Ha! Je favoriete band Eagles of Death Metal treedt toevallig binnenkort op. Op vrijdag 13 november. Maar deze vrijdag de dertiende zie je niet als ongeluksdag. Welnee, een betere start van je weekend kun je je niet wensen.

Met een paar klikken heb je kaartjes besteld. Wel een rare naam voor een band trouwens: adelaars van dood metaal. Zal wel niks te betekenen hebben, denk je optimistisch.

Concert Je mobiliseert een groep vrienden om mee te gaan. Eindelijk is het zover. De stemming zit er aan het begin van de avond al goed in. Je kijkt tevreden rond; de relatief kleine zaal is afgeladen vol, gezellig. De band speelt naast nieuwe nummers ook haar bekende hits. Zoals ‘Anything except the truth’. Dat het uur van de waarheid toch echt is aangebroken, weet je dan nog niet.

Plotseling hoor je vreselijk harde knallen. Je bent in verwarring, is dit onderdeel van de spetterende show? Maar het was wel héél hard. En het stopt niet. Zo moet oorlog klinken en voelen, weet je intuïtief.

In een flits is het je duidelijk. Dit hoort helemáál niet bij het concert. Drie jongens met automatische machinegeweren maaien in het rond. Death Metal. Dodelijk metaal. Van achter uit de zaal en vanaf het balkon schieten ze alsof het een game is. Je bent een kleiduif. Baf baf baf. Geen schijn van kans.

Mensen duiken naar de grond, rennen weg, gillen, vallen om. Er is bloed, heel veel bloed. Weg! Je moet weg! Maar hoe? En waar naar toe? Je kunt er niet meer over nadenken, het is al te laat. Immense pijn, Je valt. Je valt weg.

Van het concert des levens is geen program, zegt men weleens. Was van het concert op vrijdag de dertiende in theater Le Bataclan maar wél een program vooraf beschikbaar. Dan was je niet gegaan. Dan leefde je nu nog.

Wat moet ik doen?

Vorige week zaterdag keek ik uit het raam. Lekker ontspannend. Totdat mijn oog viel op een dikke jongen.

De jongen stond vanaf de straat voorovergebogen in zijn auto te graaien. Links en rechts naast zich gooide hij afval neer. Wat is dit nu weer voor idioot, dacht ik bij mezelf. Maar toen kwam hij overeind en greep naar z’n kruis. Nog voordat ik goed en wel met mijn ogen kon knipperen, stond de dikkerd midden op straat te plassen.

Ja, te plassen. Midden op de rijbaan, geen boom te bekennen. Hij tilde z’n jongeheer nog wat hoger op zodat er een straal met grote boog ontstond. Klaterend kwam zijn plas op straat neer. Hij keek triomfantelijk in het rond.

Ik zag het aan en was met stomheid geslagen. Welke idioot gaat er nu midden op straat staan pissen? Tegelijkertijd werd ik boos op mezelf. Waarom laat ik dit gebeuren? Intussen stapte de jongen in zijn auto en reed scheurend weg.

Moedeloos streek ik neer op de bank. Maar plots moest ik denken aan Hilleke. Hilleke Keereweer, een 80-jarige struise dame die de voedselbank in Amsterdam-Osdorp bestiert. Zij zou wél raad weten met zo’n straatpisser. Ik denk dat ze hem bij kop en kont had gepakt en zonder pardon in de gracht had gegooid. Hilleke
Het Parool wijdde onlangs een mooie reportage aan Hilleke Keereweer. Deze daadkrachtige senior stuurt met verve twintig vrijwilligers bij de voedselbank aan. Ze doet oproepen via kerkbladen en lokale kranten: wie kan er nog melk, kaas of knuffelbeesten missen? Of als een klant in een crisis blijkt te zitten, kijkt ze met hulpinstanties of ze kan helpen.

Dit vrijwilligerswerk bij de voedselbank doet Hilleke al 10 jaar. Andere banen heeft ze nooit zo lang volgehouden.
Als twintiger woonde ze aan de grachtengordel en zou ze gaan trouwen. Drie weken voor de grote dag had de aanstaande bruid er ineens geen zin meer in. Ze blies het huwelijk daarom af. “Met mannen was het net als met banen, na een tijd was ik er weer klaar mee.” Kijk, dan heb je lef hoor.

Ik moet dus gaan werken aan mijn innerlijke ‘Hilleke’. Gelukkig heb ik nog 47 jaar om te leren net zo kordaat te worden als zij. Als ik straks op mijn 80ste zo’n pissende stumper tegenkom, weet ik wat me te doen staat. Hopelijk voor dat kereltje is er dan geen gracht in de buurt.

De schaamte voorbij

Vorige week fietste ik achter een man. Dat kan je zomaar gebeuren in de stad. Net op het moment dat ik hem wilde passeren, liet hij een scheet. Hij tilde er speciaal zijn linkerbil voor van het zadel. Toen ik hem voorbij fietste, keek hij nogal beschaamd opzij naar mij. Winden laten, het blijft toch wat gênant inderdaad. Je kent dat moment wel; een eerste scheetje bij een nieuwe liefde, ai…

Wind

Een dag na het scheet-incident zag ik een oude liefde lopen. Hij liep in de supermarkt, op weg naar de uitgang, ik liep op straat langs diezelfde uitgang. “Pats, boem!”, ging het in mijn hoofd en in mijn hart. Een fractie van een seconde later en het was letterlijk “pats, boem!” geweest. Gelukkig zag hij mij niet, zodat ik snel naar huis kon rennen, met bonkend hart en rood hoofd. Net als in het Koningslied, is dit ‘de dag die je wist zou komen’ (wie die zin toch heeft bedacht???). Als het dan zover is, schrik je je een ongeluk.

Alle herinneringen komen weer tevoorschijn. Een cocktail van liefde, met een wrange nasmaak. Met je verstand weet je dat het zo beter is. “Ach, we pasten toch niet echt bij elkaar”, houd je jezelf voor. Maar au, je hart roept iets heel anders. De romance is echter al even geleden en ik moet het nu toch maar eens afsluiten.
Net als die man op fiets, is het tijd om een wind te laten. Een frisse welteverstaan. Een frisse wind door mijn hoofd en door mijn hart. En het mooie is, voor deze wind hoef ik me níet te schamen.

Het bedrijfsfeest

Een keer per jaar moeten we er aan geloven: het bedrijfsfeest. Waar we vorig jaar (toen er nog een andere directeur was) lui op onze kont mochten zitten in een zeilbootje, moest er nu gewerkt worden. We gingen spelletjes doen op het Scheveningse strand, in het kader van teambuilding. Tsja. In het kader van goed werknemerschap doe je natuurlijk actief mee. Mij krijgen ze niet klein hoor. En toegegeven, het mega-katapult-schieten, knotshockey en bubbelvoetbal waren best wel leuk!

Maar écht leuk werd het natuurlijk pas later op de avond, toen er gedanst ging worden… Annemarie van de klantenservice bijvoorbeeld is beroemd en berucht op werkfeesten en -partijen. Beroemd bij de meiden vanwege haar enthousiaste dansmoves, berucht bij de mannen vanwege eeehh… ja hetzelfde eigenlijk. Annemarie heeft een Rubensfiguur met bijbehorend prachtig decolleté moet je weten. Tijdens het dansen is dit onderdeel van het succes en menig man heeft haar imposante decolleté al gewild of ongewild van dichtbij mogen bewonderen. Omdat Annemarie ook nog eens best lang is, kan het vooral voor de kleinere mannen soms best schrikken zijn. DansenWie mij gister verbaasde, was Richard van de IT helpdesk. In het dagelijks leven een vriendelijke jongeman die altijd voor je klaarstaat als je computer crasht of je telefoon plotseling verdwenen is. Altijd een poloshirt aan, je kent het wel. Maar op de dansvloer deed hij met gemak een lap dance met een van de dames (niet ondergetekende). Soepel in de knietjes hoor, die Richard. Met recht de (onvermoede) ster van de dansvloer!
En ook hadden we daar nog Arjen, accountmanager, die in het voorbijgaan zijn hand losjes op mijn heup legde. Een echte salesjongen hè, alle mogelijkheden verkennen om te scoren. Hij zal ongetwijfeld goed zijn in zijn vak.

Gelukkig waren er ook mensen die zich precies zo gedroegen zoals je zou verwachten: de software developers. Zij stonden devoot aan de kant met een biertje in de hand. Het kan zijn dat ze het over Annemarie hadden, of over ander vrouwelijk schoon. Hoewel het me ook niet zal verbazen als ze het over eentjes en nulletjes hadden, bits and bytes en de nieuwste programmeertaal. Ieder z’n interessegebied. Mijn baas, Margreet, danste ook niet. Niet omdat zij het niet kan of durft zoals de whizzkids, nee, zij was druk aan het lobbyen bij andere hooggeplaatsten. Want dansen & sjansen is natuurlijk voor het klootjesvolk. “Een bedrijfsfeest is gewoon een verlengde werkdag, hoor”. Maar ja, dat snappen de zuipende simpele zielen natuurlijk niet. Het is een extra mogelijkheid om lijntjes te leggen (niet op een spiegeltje) en handige contacten op te doen. Want ja, waar en wanneer worden de deals gesloten? Juist… Ik zag haar aan de rand van de dansvloer druk in gesprek met de HR-directeur. Als mijn team binnenkort een collectieve salarisverhoging krijgt, weet ik hoe en vooral waar die tot stand gekomen is. Dank je Margreet.

Het moge duidelijk zijn. Zo’n bedrijfsfeest is een stuk effectiever voor de onderlinge banden dan brainstormsessies, projectgroepjes, bila’s, strategie-updates, milestone demo’s, mag-ik-even-iets-tegen-je-aan-houden-besprekingen etc. Vooroordelen en stereotyperingen worden ontkracht én bevestigd. En mijn collega’s zijn gewaarschuwd. Die worden zowel in formele als in informele setting in de gaten gehouden. Door mij. Ik moet érgens inspiratie voor dergelijke schrijfsels vandaan halen. Wanneer is het volgende feest?

PS: de namen van de betreffende collega’s zijn uiteraard gefingeerd. Because, what happens in Scheveningen, stays in Scheveningen.

Franje

Hij zag geen andere oplossing. Moest hij deze mensen dan maar op straat zetten? ’s Nachts in de koude buitenlucht laten slapen?
Dit was het verweer van staatssecretaris Klaas Dijkhoff van Veiligheid en Justitie, toen hij de bewoners van het Drentse dorpje Oranje afgelopen week kwam melden dat er per direct 700 nieuwe asielzoekers zouden komen. Naast de 700 die er al woonden.

OranjeDe meeste bewoners waren hier op zijn zachtst gezegd niet blij mee. Dit was niet volgens eerder gemaakte afspraken. En volgens een bewoonster wonen er “gewoon al heul veul asielzoekers”. Kortom, de seinen stonden op rood, in Oranje.

Oranje. Als ik aan Oranje denk, denk ik eerlijk gezegd niet aan asielzoekers. Ook niet aan de kleur oranje. En vooral niet aan het koningshuis. Nee, ik denk aan Speelstad Oranje. Ik ben namelijk opgegroeid in Assen en Oranje ligt daar niet ver vandaan. En wat was vroeger een leuk uitje vanuit Assen? Juist. Speelstad Oranje. Een fabriekshal vol attracties, een overdekt attractiepark. Ik ging er geregeld heen met mijn broers en vriendinnetjes. “Spééeeeeeeeeeel-stad Oooránje, met veeeeeel plezier en franje!” Ik herinner me de radioreclame nog als van gisteren. Inclusief de intonatie met verschillende toonhoogtes.
Prachtige tijden heb ik er beleefd. In de bootjes, de achtbaan, de zweefmolen en in het schip. En tussendoor natuurlijk jezelf volproppen met snoep, Fristi en patat. Wat was het leven toen overzichtelijk en onbezorgd. Van asielzoekers had ik nog nooit gehoord.

Maar tijden veranderen. De speelstad bestaat niet meer, de franje was er af. Een overdekt attractiepark was niet meer van deze tijd. Het wrange is dat tegenwoordig in de voormalige speelstad, asielzoekers wonen. Met enige fantasie zou je hén een attractie kunnen noemen. Maar voor de kinderen die nu in de fabriekshal verblijven, valt er niets te lachen en is er niets te doen. Spelen is er niet bij. Terwijl ik deze kinderen júíst onbezorgd plezier gun. Na alle ellende die ze vast meegemaakt hebben. Zwieren en zwaaien, tollen en draaien. Met snoep, Fristi en patat.

Ik hoop dat deze mensen zich ooit ook weer onbezorgd voelen. Hun leven weer franje krijgt. Waar ook ter wereld. Terug in eigen land, of in Oranje, Geelbroek, Zwartsluis, Roodeschool, Groenlo of Bruinisse.

Beschermheer

Ik erger me er al jaren aan: pizzakoeriers en andere snelheidsduivels op twee wielen die heer en meester zijn in de straten van de stad. Amsterdam is net het Wilde Westen af en toe, je bent je leven niet zeker. Wie beschermt ons, argeloze fietsers en voetgangers, tegen die scootermaffia?

Terwijl ik hierover peins, hoor ik mijn overbuurman bulderen. Mijn overbuurman, Henk Hunebed. Zo heet hij niet, maar hij heeft wel een naam die zo allitereert. Henk is groot, grof gebouwd, heeft handen als kolenschoppen en een bulderende stem die je drie straten verderop nog hoort. Zo robuust als, ja als een hunebed eigenlijk.

Ik gluur naar buiten. Tegen wie gaat hij nu weer tekeer? Tegen zijn favoriete slachtoffers: scooterboys die bij hem over de stoep racen. Een paar panden naast hem zit een coffeeshop, dus dat gebeurt nogal eens. Lekker makkelijk over de stoep, denken die gastjes. Maar dan hebben ze buiten Henk Hunebed gerekend. Deze man laat niets zomaar passeren. Letterlijk en figuurlijk niet.

Henk schreeuwt luidkeels een manneke op een scooter na, die natuurlijk al ruim 100 meter verder is. Inwendig prijs ik Henk om zijn moed. Hij durft mensen tenminste tot de orde te roepen. Niet geheel ongevaarlijk in Amsterdam. Tot mijn grote schrik keert de scooterboy zich om en komt tergend langzaam teruggereden. Alles in zijn houding straalt provocatie en confrontatie uit. Ik kruip achter mijn gordijn. Dit kon wel eens verkeerd aflopen. Henk gaat er breeduit voor staan. Kom maar op, straalt hij uit. Het lijkt zelfs of hij er zín in heeft. Benen wijd. Kin omhoog. Borst, en vooral imposante buik, vooruit.

“Hauh es op mitt auver die stoep scheeeuuuruh! Idijaut!”, schreeuwt hij in onvervalst Amsterdams tegen de jongen die drie koppen kleiner is. Een verhitte discussie met veel armgebaren volgt. Zowel Henk als de jongen doen een stap dichterbij. Ik ruik de testosteron, de stoep is veranderd in een arena. Het lijkt te escaleren. `O jee, als dat ventje maar geen wapen pakt`, flitst het door me heen. Ik zie Henk al in een grote plas bloed liggen. Wat moet ik dan doen?
Uiteindelijk kiest de coureur eieren voor zijn geld. Een verstandige keuze. Van Henk win je niet.

Dus, beste fietsers en voetgangers, er is hoop voor ons. In één straat van de stad worden wij in ieder geval beschermd tegen racemonsters. In mijn straat. Door Henk, de bulderende buurman.