De mannen van de IT-afdeling

Een van mijn circa tien hobby’s is pubquizzen. Een gezellige avond in de kroeg en ondertussen de hersens laten kraken. Uitstekende combinatie. Soms doe ik het met vriendinnen, maar mijn collega’s zijn er ook geregeld voor te porren.

PubquizAfgelopen maandag gingen we weer; de collega’s en ondergetekende. Twee teams sterk. Team Oost West Noord Best en Team IJ-zersterk. Ons kantoor zit in Amsterdam-Noord, aan het IJ, dus hélemaal geen gekke namen.

Nadat we onszelf moed hadden ingedronken, begonnen we. Ik zat in team IJ-zersterk, met collega’s M., S. en J. Alledrie ‘techies’. En dat heb ik geweten. Wat voor type de bekendste robot uit Starwars is? Voordat de quizmaster uitgesproken was, waren de drie heren al druk aan het overleggen. R2-D2 was het eensluidende antwoord. Ik had er nóóit van gehoord. ‘Kijk je geen Star Wars?!’, vroegen ze ongelovig. Tsja. Is een wortel oranje?

Hier bleef het niet bij. Op elke technische of wiskundige of bizarre-weetjes-vraag hadden de mannen het antwoord klaar:

  • Welk getal hoort bij het logo van The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy? ’42!’
  • Wat staat er tussen de verticale streepjes in een wiskundige formule? ‘Absolute waarde!’
  • Wat is het nummerbord van Donald Duck’s auto? ‘313!’

Nerd Alert! riepen ze zelf, na een aantal van dit soort vragen. Gozers met zelfspot hoor. Ik stond er bij en keek er naar.

Lekker cliché, zou je denken. Niks daarvan. De heren beschikten ook over onvermoede kennis. S. bleek alle sportvragen te weten. ‘Waarover viel Falco Zandstra tijdens het WK Allround in 1995?’ ‘Zijn eigen wedstrijdbandje!’
M. wist elk nummer tijdens de muziekronde te herkennen. ‘Kate Bush met Wuthering heights!’ ‘LL COOl J met I need love!’
En J. zette binnen een oogwenk vier gebeurtenissen uit WO II in chronologische volgorde. Respect. En hij wist meteen hoeveel spenen een koe aan haar uier heeft. ‘Vier!’ ‘Niet zes?’, vroegen wij nog vertwijfeld. ‘Nee hoor, ik ben op een boerderij opgegroeid. Vier! Punt.’

Team IJ-zersterk

Ik wist zelf gelukkig ook genoeg. De nieuwe burgemeester van Arnhem (Ahmed Marcouch). Waar Geertruidenberg ligt (Noord-Brabant). Het merk van de Chocoprins- koeken (LU). En de vier cabaretiers van De Kwis (zoek maar op).

Helaas bleven we soms alle vier in gebreke:

  • Hoe vaak een man per maand moet klaarkomen om prostaatkanker te voorkomen? (21 keer)
  • Welk land recht onder de stad Minsk ligt? (Kirgizië was onze consensus, het bleek Oekraïne)
  • De namen van de Teletubbies inclusief hun accessoire? (antwoord volslagen
    oninteressant).

Of we gokten verkeerd: ‘Welke baan van de Franse vlag is breder dan de overige twee banen? Rood, wit, blauw, geen?’. We gokten ‘geen’, maar het bleek de witte baan te zijn.

Daarom zijn we als vierde geëindigd en helaas niet als eerste. Deze eer ging naar het mannenteam met de bedenkelijke naam De Swaffelmannen. Zij hadden die vraag over klaarkomen natuurlijk wel goed.

 

Ik mag niet klagen

Toeristen die de weg vragen. M’n gezellige buurman die de weersomstandigheden met me wil bespreken. Of zomaar vreemdelingen. Sinds ik in Amsterdam woon, wordt er veel tegen me gepraat op straat.

Laatst nog een vrolijke Surinaamse meid. Ik stapte tegelijk met haar uit de tram en we werden weggeblazen door een windvlaag. Ze zei dat ze veel te koud gekleed was en al keuvelend liepen we samen 200 meter op. ‘Fijne dag!’ riepen we naar elkaar toen onze wegen scheidden.

Dit soort spontane ontmoetingen kleuren je dag toch?

Ook onderweg naar mijn werk wordt er regelmatig tegen me gepraat. Ik moet een stukje met de pont over het IJ varen om kantoor te bereiken. Sinds kort heb ik een vriend op de pont. Hij begon eens tegen me te kletsen toen we zowel ’s ochtends als ’s middags op hetzelfde tijdstip bij de pont wachtten. ‘Goh, dezelfde werktijden blijkbaar?’ Vanaf dat moment spreek ik mijn pont-vriend regelmatig en dat is vaak gezellig.

Maar.

Er is een categorie kletsers waar ik minder blij van word. De klagers. En helaas, die zijn erKlagen in Mokum in groten getale. Bij iedere open brug, vertraagde trein of opengebroken straat zie ik mensen misprijsd hun gezicht naar me toe draaien en hun mond openen. Stoïcijns en acuut draai ik m’n hoofd in een andere richting, want ik heb écht geen zin in gemopper, gemekker, gezanik en gezeur. Blijmoedig onderga ik daarom maar elke vertraging en wegomleiding.

Dat komt denk ik door thuis. Door vroeger. Klagen mocht niet. ‘Hoort bij het leven, kind.’ ‘Het gaat met vallen en opstaan.’ ‘Vergeleken met andere mensen in de wereld heb jij het zo slecht nog niet.’ Ik heb alle varianten voorbij horen komen. Tsja, wat heb je daar nog tegen in te brengen? Dit maakt misschien dat ik op straat de klagende medemens mijd als de pest.

Toch klaag ik wel degelijk, eerlijk gezegd. Namelijk tegen bovenbuurvrouw N. We delen een trappenhuis en een dakterras, dus we komen elkaar geregeld tegen. Daarnaast appen we elke dag. Een heel leuk en gezellig contact, maar het viel me op dat we ook uitgebreid kunnen klagen allebei.

klagen2We klagen over de zoveelste verbouwing in de binnentuin; ‘weer van die yuppen die zo nodig een serre moeten. Waar doen ze het van?’ Over de studenten ‘op links’ die wakker worden wanneer normale mensen naar bed gaan, ‘die asociale dikke van de overkant’ die z’n muziek zo hard heeft staan. Over de parkieten in de grote boom die snerpende herrie maken, onze klusjesman die zich gedraagt als dramaqueen. Over de beheerder van de VVE die de taken niet naar behoren uitvoert, de grote hoeveelheid idioten op straat, het drukke verkeer op het Surinameplein, mannen die niet doen wat je wilt, mannen die doen wat je juist níet wilt. Kortom, alles en iedereen passeert de revue.
klagen

Voelt ook best lekker eigenlijk. De schade van vroeger haal ik ruimschoots in. Ik mag in ieder geval niet klagen met zo’n buurvrouw. Ik mag wel tégen haar klagen gelukkig. Geen klaagmuur, maar een klaagbuur. En die wens ik iedereen toe. Dan is het bij de openstaande brug ook weer wat gezelliger.