Gluren bij de buren

Ik mag graag gluren.

Ik zeg het maar eerlijk, want zo is het nou eenmaal. Bij elke huiskamer zonder luxaflex, móet ik stiekem even naar binnen kijken. Mijn vriend vindt het niet kunnen, maar ik doe het gewoon.

Ik gluur ook vanuit mijn eigen huis. Gluren bij de buren. Vooral ’s avonds kijk ik graag naar de overkant van de binnentuinen, recht bij een stelletje naar binnen. Ik kijk uit op hun woonkamer en ze hebben geen gordijnen. Een feest voor een gluurderig type als ik! Niks leukers dan huiselijke taferelen te bekijken: tv, kaarsje, dinertje, vrienden op bezoek. Dat werk. Niks spannends, maar toch interessant om ’s avonds stiekem tussen de luxaflex door te koekeloeren.

Ik weet zelfs de namen van deze mensen: Frederik en Jetty. De reden dat ik ze bij naam en toenaam ken? Toby. Een dikke grijze kater, formaat mini-varken.

Het lijkt een goedaardig en sullig beest, maar schijn bedriegt. ’s Nachts vecht hij er met andere katten op los in de binnentuinen. Dat gaat er bepaald niet zachtzinnig aan toe, het gekrijs houdt iedereen rondom de binnentuinen wakker. Daarnaast is Toby ook avontuurlijk, hij steekt geregeld een paar dakterrassen over en belandt dan op de terrassen aan mijn kant. En durft vervolgens niet meer terug. Vandaar dat Frederik al meerdere malen met kattenreiskoffer en brokjes bij mij voor de deur heeft gestaan. Ja, via Toby leer je je buren écht kennen, in plaats van alleen maar naar ze te gluren.

Toen ik laatst een keer ziek was en dus alle tijd had om ook overdag te gluren, zag ik dat het interieur van Frederik en Jetty er heel anders uit zag. Ik dacht: “Huh, ze zullen toch niet zomaar verhuisd zijn?” Tegelijkertijd realiseerde ik me dat ik dikke Toby ook al een tijd niet meer had horen krijsen ’s nachts. Ik keek nog eens beter; de racefiets van F. op het balkon was weg en er stond een grote onbekende plant in het midden van de kamer. Ja, dit alles was verdacht. Ik appte onmiddellijk mijn buurvrouw, hier moesten we meer over te weten komen. We noemen elkaar vaak Sherlock [achternaam], dat zegt genoeg.

Daadkrachtig als ze is, ging ze meteen op onderzoek uit. Via het wereldwijde web vond Sherlock Bovenbuuf uit dat Frederik met zijn bedrijf nog steeds geregistreerd stond op het welbekende adres. Ook zag ze dat de kattenladder nog aan het balkon hing.

Vakantie, was haar conclusie. En een nieuwe plant gekocht.

Die nacht werd ik wakker van een hels kabaal en gekrijs. Mijn vriend mompelde geïrriteerd: “Pffff daar heb je die vechtende katten weer.” Het maakte mij niet veel uit, want ik besefte dat ik mooi weer kon gaan gluren naar de huiselijke taferelen bij Dikke Toby & co. Maar daar snapt mijn vriend natuurlijk helemaal niets van.

Samen sherry drinken

Sinds een tijdje ben ik lid van Burennetwerk Amsterdam. Volgens de omschrijving op hun Facebook-pagina: Mensen, die een goede buur willen zijn, worden gekoppeld aan mensen die wat extra hulp kunnen gebruiken.

Participatiemaatschappij enzo, je weet wel. Geen verkeerd idee om wat meer te participeren dacht ik. 

Ik was de laatste tijd echter geen goede buur, Burennetwerk-technisch gezien. Meer een slapende buur, nog niet erg actief. Maar toen zag ik een oproepje dat me bijbleef:

Het oproepje...Ik vond het zo sneu dat deze oude dame helemaal alleen zou zitten met Kerst. Of voelde ik me aangesproken doordat er stond dat ze ‘een opgewekt iemand’ zochten? Maakt niet uit, ik dacht: gaan met die banaan!

Een dag vantevoren belde ik haar om mijn komst aan te kondigen. “Gezellig schat, dan drinken we samen een sherrytje!”, riep ze enthousiast. Dat belooft wat, aan de drank met een dame van 86.

Dus daar ging ik, op de zondagmiddag voor Kerst, naar mevrouw H. in Amsterdam- Noord. Een dik kwartier fietsen en dan nog even met het pontje het IJ oversteken. Ook al ben ik een redelijk georganiseerd type, ik ben toch vaak een paar minuten te laat. Dus die pont miste ik natuurlijk. Tien minuten te laat belde ik aan bij mevrouw. Ik was nog niet binnen of ze riep: “Ik zat net op de wc!” Oh nee hè, zo’n bijdehante Amsterdamse, dacht ik. Heb ik weer. En; wie gaat er nu naar de wc als je bezoek verwacht? Of was dit nou die genoemde vergeetachtigheid? Een hoop gedachten tijdens de eerste indruk.

Ik had in het kader van de kerstgedachte een bosje rode tulpen voor haar meegenomen. Dat kwam goed van pas, want ze klaarde meteen op. “In de keuken staat wel een vaas, zoek er maar een schat!”. Dus daar stond ik, in minuut #2 in haar keukenkastjes te rommelen op zoek naar een vaas. Wat een giller, ik zag mezelf staan. Mevrouw kletste ondertussen vanuit de kamer gewoon tegen me. En of ik dan meteen even thee kon zetten. Dus in minuut #3 trok ik alle kastdeurtjes open op zoek naar theezakjes.

Toen ik de tulpen op vaas had gezet en de thee was gezet, kletsten we een eind weg. Mevrouw bleek een lief oud mens vol verhalen over haar kinderen, kleinkinderen (“Schátten van jongens, en zo knap!” Waarbij ze me veelbetekenend aankeek), schoondochter (“Jaaaaa, een bitch hoor, een échte bitch!”). Gelukkig vroeg ze ook wat aan mij, waar ik woonde bijvoorbeeld. Toen ik zei dat ik in Amsterdam-West woon en op de fiets was gekomen, kreeg ze haast een rolberoerte. “Heb je dat hele eind gefietst?” Ze kon het níet geloven. Ik vertelde haar maar niet dat ik elke dag 6,5 kilometer naar mijn werk fiets. Enkele reis. Dat zou haar echt fataal worden.

Na de thee moest ik de sherry uit de keuken pakken en kon het borreluurtje beginnen. Na twee glaasjes sherry heb ik het toch maar voor gezien gehouden, ik moest tenslotte nog dat héle eind terug fietsen.

sherry

Mevrouw was erg blij dat ik geweest was, ik moest zéker nog eens langskomen. Ik vond het ook leuk; iets goeds doen smaakte naar meer.

Buren, here I come! Maar wel graag weer met een sherrytje on the side, want ook die smaakte naar meer.

 

Het is nog steeds het gesprek van de dag

De laatste tijd word ik steeds geconfronteerd met mannen die het over swaffelen hebben. Gelukkig brengen ze het voor zover ik weet -nog- niet in de praktijk, maar ik vind het toch opvallend dat dit woord ineens weer zo vaak valt.

Het begon laatst bij een pubquiz. Ik deed met mijn collega’s mee. Onze teams hadden keurige namen: Oost West Noord Best en IJzersterk. Blijkbaar zijn dat geen namen waar je een pubquiz mee wint, want het winnende team was: De Swaffelmannen. Het team bleek overigens uit vijf uiterst keurige studentenjongens te bestaan.

Even later zat ik met een groepje sportgenoten wat te drinken. Vanuit het niets zegt een van de aanwezige expats met een grote glimlach: “Weten jullie wat ik nou het mooiste Nederlandse woord vind?!” Het viel stil, want niemand had natuurlijk een idee. Snel probeerde ik iets te verzinnen, maar waar moet je beginnen? “Swaffelen”, riep hij uit en begon vervolgens te bulderen. Toch erg dat de Nederlandse taal om dit soort woorden bekend staat.

De week er na had ik het op mijn werk met collega R. zijn vakantie. Hij was bij een groot meer in Duitsland geweest. Een uurtje later las ik een nieuwsbericht over een Duits meer waar alleen naturisten zonnebaden. Ik stuurde het naar R. onder het mom van ‘Hier zat jij zeker?’ Hij reageerde hardop met: “Ik swaffel ze hélemaal kapot daar!”. Nou ja zeg. Aparte collega.

blog swaf

Swaffelen was echt tha bomb een aantal jaren geleden. Het was swaffelen voor en swaffelen na. Er werd zelfs een dag voor georganiseerd door BNN: de Nationale Swaffeldag. Onder andere het Paleis op de Dam en de Sint Servaas Basiliek in Maastricht werden toen beswaffeld. Waar een klein land groot in kan zijn. Ook de kranten stonden er vol van: ‘Student van school wegens swaffelen.’ ‘Zaak swaffelaar erg opgeblazen.’

Maar het hoogtepunt (om in termen van swaffelen te blijven), was dat swaffelen Woord van het Jaar 2008 werd. Toch frappant dat dit woord zo lang blijft hangen; 2008 is alweer bijna tien jaar geleden. Want zoals het dit soort modegrillen vaak vergaat, die verdwijnen in het niets. Wie heeft het bijvoorbeeld nog over tentsletje (2010), stoeproken (2011), de frietchinees (2012), kraamkost (2015) of samsonseks (2016)? Zo niet swaffelen.

Wel opvallend dat het allemaal ranzige dingen zijn, onze Nationale Woorden van het Jaar. Smerig volkje zijn we. Maar dat zal die expat inmiddels ook wel weten. Ik hoop dat hij mijn collega nooit zal treffen, want die swaffelt hem dan misschien hélemaal kapot.

Eens kijken of hij het dan nog steeds zo’n mooi woord vindt. Of dat bijvoorbeeld frietchinees dan toch meer zijn voorkeur heeft. Misschien minder mooi, maar wel veiliger.

De mannen van de IT-afdeling

Een van mijn circa tien hobby’s is pubquizzen. Een gezellige avond in de kroeg en ondertussen de hersens laten kraken. Uitstekende combinatie. Soms doe ik het met vriendinnen, maar mijn collega’s zijn er ook geregeld voor te porren.

PubquizAfgelopen maandag gingen we weer; de collega’s en ondergetekende. Twee teams sterk. Team Oost West Noord Best en Team IJ-zersterk. Ons kantoor zit in Amsterdam-Noord, aan het IJ, dus hélemaal geen gekke namen.

Nadat we onszelf moed hadden ingedronken, begonnen we. Ik zat in team IJ-zersterk, met collega’s M., S. en J. Alledrie ‘techies’. En dat heb ik geweten. Wat voor type de bekendste robot uit Starwars is? Voordat de quizmaster uitgesproken was, waren de drie heren al druk aan het overleggen. R2-D2 was het eensluidende antwoord. Ik had er nóóit van gehoord. ‘Kijk je geen Star Wars?!’, vroegen ze ongelovig. Tsja. Is een wortel oranje?

Hier bleef het niet bij. Op elke technische of wiskundige of bizarre-weetjes-vraag hadden de mannen het antwoord klaar:

  • Welk getal hoort bij het logo van The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy? ’42!’
  • Wat staat er tussen de verticale streepjes in een wiskundige formule? ‘Absolute waarde!’
  • Wat is het nummerbord van Donald Duck’s auto? ‘313!’

Nerd Alert! riepen ze zelf, na een aantal van dit soort vragen. Gozers met zelfspot hoor. Ik stond er bij en keek er naar.

Lekker cliché, zou je denken. Niks daarvan. De heren beschikten ook over onvermoede kennis. S. bleek alle sportvragen te weten. ‘Waarover viel Falco Zandstra tijdens het WK Allround in 1995?’ ‘Zijn eigen wedstrijdbandje!’
M. wist elk nummer tijdens de muziekronde te herkennen. ‘Kate Bush met Wuthering heights!’ ‘LL COOl J met I need love!’
En J. zette binnen een oogwenk vier gebeurtenissen uit WO II in chronologische volgorde. Respect. En hij wist meteen hoeveel spenen een koe aan haar uier heeft. ‘Vier!’ ‘Niet zes?’, vroegen wij nog vertwijfeld. ‘Nee hoor, ik ben op een boerderij opgegroeid. Vier! Punt.’

Team IJ-zersterk

Ik wist zelf gelukkig ook genoeg. De nieuwe burgemeester van Arnhem (Ahmed Marcouch). Waar Geertruidenberg ligt (Noord-Brabant). Het merk van de Chocoprins- koeken (LU). En de vier cabaretiers van De Kwis (zoek maar op).

Helaas bleven we soms alle vier in gebreke:

  • Hoe vaak een man per maand moet klaarkomen om prostaatkanker te voorkomen? (21 keer)
  • Welk land recht onder de stad Minsk ligt? (Kirgizië was onze consensus, het bleek Oekraïne)
  • De namen van de Teletubbies inclusief hun accessoire? (antwoord volslagen
    oninteressant).

Of we gokten verkeerd: ‘Welke baan van de Franse vlag is breder dan de overige twee banen? Rood, wit, blauw, geen?’. We gokten ‘geen’, maar het bleek de witte baan te zijn.

Daarom zijn we als vierde geëindigd en helaas niet als eerste. Deze eer ging naar het mannenteam met de bedenkelijke naam De Swaffelmannen. Zij hadden die vraag over klaarkomen natuurlijk wel goed.

 

Ik mag niet klagen

Toeristen die de weg vragen. M’n gezellige buurman die de weersomstandigheden met me wil bespreken. Of zomaar vreemdelingen. Sinds ik in Amsterdam woon, wordt er veel tegen me gepraat op straat.

Laatst nog een vrolijke Surinaamse meid. Ik stapte tegelijk met haar uit de tram en we werden weggeblazen door een windvlaag. Ze zei dat ze veel te koud gekleed was en al keuvelend liepen we samen 200 meter op. ‘Fijne dag!’ riepen we naar elkaar toen onze wegen scheidden.

Dit soort spontane ontmoetingen kleuren je dag toch?

Ook onderweg naar mijn werk wordt er regelmatig tegen me gepraat. Ik moet een stukje met de pont over het IJ varen om kantoor te bereiken. Sinds kort heb ik een vriend op de pont. Hij begon eens tegen me te kletsen toen we zowel ’s ochtends als ’s middags op hetzelfde tijdstip bij de pont wachtten. ‘Goh, dezelfde werktijden blijkbaar?’ Vanaf dat moment spreek ik mijn pont-vriend regelmatig en dat is vaak gezellig.

Maar.

Er is een categorie kletsers waar ik minder blij van word. De klagers. En helaas, die zijn erKlagen in Mokum in groten getale. Bij iedere open brug, vertraagde trein of opengebroken straat zie ik mensen misprijsd hun gezicht naar me toe draaien en hun mond openen. Stoïcijns en acuut draai ik m’n hoofd in een andere richting, want ik heb écht geen zin in gemopper, gemekker, gezanik en gezeur. Blijmoedig onderga ik daarom maar elke vertraging en wegomleiding.

Dat komt denk ik door thuis. Door vroeger. Klagen mocht niet. ‘Hoort bij het leven, kind.’ ‘Het gaat met vallen en opstaan.’ ‘Vergeleken met andere mensen in de wereld heb jij het zo slecht nog niet.’ Ik heb alle varianten voorbij horen komen. Tsja, wat heb je daar nog tegen in te brengen? Dit maakt misschien dat ik op straat de klagende medemens mijd als de pest.

Toch klaag ik wel degelijk, eerlijk gezegd. Namelijk tegen bovenbuurvrouw N. We delen een trappenhuis en een dakterras, dus we komen elkaar geregeld tegen. Daarnaast appen we elke dag. Een heel leuk en gezellig contact, maar het viel me op dat we ook uitgebreid kunnen klagen allebei.

klagen2We klagen over de zoveelste verbouwing in de binnentuin; ‘weer van die yuppen die zo nodig een serre moeten. Waar doen ze het van?’ Over de studenten ‘op links’ die wakker worden wanneer normale mensen naar bed gaan, ‘die asociale dikke van de overkant’ die z’n muziek zo hard heeft staan. Over de parkieten in de grote boom die snerpende herrie maken, onze klusjesman die zich gedraagt als dramaqueen. Over de beheerder van de VVE die de taken niet naar behoren uitvoert, de grote hoeveelheid idioten op straat, het drukke verkeer op het Surinameplein, mannen die niet doen wat je wilt, mannen die doen wat je juist níet wilt. Kortom, alles en iedereen passeert de revue.
klagen

Voelt ook best lekker eigenlijk. De schade van vroeger haal ik ruimschoots in. Ik mag in ieder geval niet klagen met zo’n buurvrouw. Ik mag wel tégen haar klagen gelukkig. Geen klaagmuur, maar een klaagbuur. En die wens ik iedereen toe. Dan is het bij de openstaande brug ook weer wat gezelliger.

 

 

Ik weet er nu alles van

Laatst ging ik naar een borrel waar ik niemand kende. Dat is altijd even moeilijk.

De borrel was op het hoofdkantoor van mijn werk. De goden bleken mij echter gunstig gezind, want ik kwam twee gozers van mijn eigen vestiging tegen. Ik kende ze van gezicht. Even later kwam er nog een ex-collega van hen bij zitten. Ook al kenden we elkaar nauwelijks, we hadden het hartstikke gezellig; de drie mannen en ondergetekende.

Zo gezellig zelfs, dat ze me een week later uitnodigden op hun vrijdagmiddagborrel. Afgelopen vrijdag toog ik daarom naar de zevende etage, waar zij zitten. Ik was ietwat laat, er was een clubje van vier mannen over. Ze werken voor een technologiesite en testen en reviewen daarvoor allerlei producten. Dus hebben ze op hun afdeling een tv-kamer, 3d-printer, opnamestudio en game room. Ik keek mijn ogen uit, heel wat anders dan onze steriele kantoortuin met nepplanten. De mannen stónden er op mij alles te laten zien. Wat een aandacht. Verwennerij voor de diva in mij.

Computer

De rondleiding begon bij de 3d-printers. P. was een kwaliteitstest aan het doen met verschillende printers en er stond er net een te pruttelen. Een kogellager werd er geprint. Ik wist niet eens wat een kogellager was, laat staan dat je er een kon printen. P. liet me de draadjes plastic zien die als grondstof voor de printer dienen. Toen ik vroeg hoe ze aan de ontwerpen kwamen, liet hij me een site met standaard ontwerpen zien. Hij vroeg me welk product ik zou willen printen. “Eh, een sleutelhanger?”. Ik kon niks beters verzinnen. Hij barstte in lachen uit. Geen slim antwoord kennelijk. Een telefoonhoesje was een beter idee, zei hij. “Wat voor telefoon heb je?” “Samsung.” “Ja, welk type?!” “Eh, weet ik niet.”
P. gaf de moed op. Geen telefoonhoesje geprint dus.

tvDoor naar de tv-kamer dan maar, waar een mega-scherm stond. Tv-reviewer S. zette ‘em aan en begon een verhandeling over oled-tv’s, HDR, microsecondes vertraging en zwart dat geen zwart is. Ik begreep er niks van, had nog nooit van oled gehoord en zag het probleem van een microseconde vertraging niet in.

Heel wat wijzer kwam ik de tv-kamer uit; microsecondes kunnen van levensbelang zijn voor de geoefende tv-kijker. Via de opnamestudio (“Helemaal in stijl van Portal; ken je die game?!” “Eh, nee.”) naar de game room. “Heb je weleens een VR-game gespeeld?” Gelukkig wist ik dat VR virtual reality betekent, maar zo’n game ooit gespeeld? Nee, natuurlijk niet. Nou, daar moest kennelijk verandering in komen. Want voordat ik het goed en wel door had, plantte P. een grote VR-bril op mijn hoofd en liep ik volgens hem op de verst denkbare planeet in een oud fort. Ik vond het best eng in het begin, want het leek levensecht. Maar het wende en ik ging op in het schietspel. Helaas was het binnen een minuut game over.

Toen we uitgeprint, uitgekeken en uitgespeeld waren, zijn we naar de kroeg gegaan. Waar het gesprek niet meer over bits & bytes ging, maar over Chiptunes feestjes, erectiepillen en Chriet Titulaer in een regenton. Dingen waar ik óók al niet over mee kon praten. Maakt niet uit, het was allemaal wel heel gezellig .

En ik heb veel geleerd.

Dus, als je binnenkort een nieuwe tv wilt gaan kopen: kies voor oled. En let er op dat zwart ook écht zwart is. Sinds vrijdag weet ik er alles van. Proost.

 

Het kan nog erger

Tuinieren is nooit mijn hobby geweest. Dat gefröbel met plantjes en bloemen. Ingewikkeld en burgerlijk dacht ik. Zelfs een cactus liet ik in no time doodgaan. Maar inmiddels ben ik om. En misschien ook wel burgerlijk. Ik zeg nu namelijk als het regent: ‘Ha, goed voor de plantjes!’ In plaats van: ‘Wat een k-weer.’

Het begon met de ouwe plantaardige meuk die de vorige bewoner op het balkon had achter gelaten. Op een gegeven moment begon ik me daar toch aan te storen. Ik dacht dit kan beter en vooral netter. Dus sleepte ik mijn broer mee naar het tuincentrum. Niet vanwege zijn botanische kennis, maar omdat hij een auto heeft. Ik kocht er één (1) hortensia. Livin’ on the edge. Die hortensia stond al gauw te shinen als een malle. Dat smaakte naar meer.

Niet veel later stond mijn hele balkon vol. Dit was pas het begin voelde ik. Ook op het dakterras heb ik toen schoon schip gemaakt en de boel opgevrolijkt. Maar ik wilde meer. Groter. Kleurrijker. Dus ben ik op straat verder gegaan met een aantal potten naast de voordeur. Geraniumpje hier, petuniaatje daar. Tralalalalalaaa.

De volgende stap was een heus tuintje. Hier stopt het avontuur dacht ik, want een tuin heb je niet op driehoog achter. Mispoes. Er was wel degelijk een tuintje in mijn buurt. Weliswaar niet voor mijn huis, maar voor dat van buurman J. Er stond geen groen goud in, dus dat tuintje heb ik gekaapt. Guerilla gardening. Mooie trend.

Terwijl iedereen op Tweede Kerstdag aan het uitbuiken was van de kerstdis, stond ik te graven. Ik had namelijk een groots plan met dat geveltuintje. Tulpen, ik wilde tulpen. Meteen ook maar wat narcisbollen geplant, als ik toch bezig was.

En voilà! In maart staken de eerste steeltjes boven de grond. Euforie! Al snel bloeiden de
tulpen en narcissen weelderig en kreeg ik complimenten van mijn buren over het vrolijke tuintje.

geveltuin_kleinTotdat het noodlot toesloeg. Twee weken geleden zag ik ’s ochtends dat mijn halve tuintje verwoest was. Tulpen waren afgeknaagd en lagen verspreid over de stoep. Narcissen waren uit een pot gerukt en ook een geranium was gemolesteerd. Potverdorie! Mijn mooie tulpen, bruut weggerukt door een vogel, kat of rat. Ik besloot de troep maar op te ruimen en het tuintje een beetje te herstellen.

De overburen parkeerden op dat moment net hun auto bij mij voor de deur. Mario & Truus, Ras-Amsterdammers met een pitbull én een teckel. “Godverdórie, nu kennuh we alwéér niet voor de deur parkeeeruh”, schetterde Truus. Ze heeft een stem als een bootwerker en is even breed als lang. Ik lachte inwendig, de auto stond namelijk op 6 meter afstand van hun voordeur. Ik liet ze met een sip gezicht de gemolesteerde tulpen zien. Truus ontstak nu helemaal in een woedeaanval. “En ik vond je tuintje juist soooo maaauuuii!!” Hè fijn, even wat begrip.

Die avond vertelde ik mijn First World Problems aan vriendin M. Gedeelde smart is halve smart. Na een paar dagen was ik het hele voorval natuurlijk al weer helemaal vergeten. Totdat M. me met Pasen een appje stuurde. Een nieuwsbericht: “Meeuwen vernielen Nederlandse bloemen op het Sint Pietersplein”. Och… Ik weet precies hoe ze zich daar in Vaticaanstad voelden. Het kan dus altijd erger.

Misschien moeten we volgend jaar Pasen Truus met haar pitbull en teckel naar Vaticaanstad sturen als vogelverschrikker. Ze mogen proefdraaien bij mijn tuintje.

 

Ik ga naar Stefan toe

Laatst las ik een interview met een schrijfster uit New York. De journalist vroeg of vreemden een belangrijke rol in haar leven speelden. De schrijfster beaamde dat: ‘Ik woon alleen. Als je boos of verdrietig bent, bel je niet meteen iemand op. Dan neem je jezelf maar mee naar buiten, de straat op. Daar verdwijnen donkere gedachten en eenzaamheid. Het zien van vreemden is vaak héél helend.’

Ha!, dacht ik. Daar zit wat in! Ik wandel ook graag door de stad. Gedachten de vrije loop laten of gewoon wat om me heen koekeloeren. Soms ontmoet ik daarbij ook vreemden, zoals laatst een stelletje dat voor me liep. Ik liep een tijdje geruisloos achter ze, totdat zij haar voet op een bankje zette. Hij ging braaf haar veter strikken. Toen ik passeerde, keek hij beschaamd op. Ik moest lachen en vroeg: ‘Heb je misschien nog een broer?!’ Helaas. Had ‘ie niet.

Maar wat eigenlijk nog beter werkt dan deze vluchtige ontmoetingen, is boodschappen doen. Zoveel aardige kleine ondernemers bij mij in de buurt die ik inmiddels persoonlijk ken. Meestal gaat het om boter, kaas en eieren, maar laatst had ik een wat meer bijzondere boodschap te doen.

In het trappenhuis thuis was een stop doorgeslagen. Op naar de winkel. Naar de ijzerwaren-  annex doe-het-zelf-zaak aan de Overtoom. Achter de kassa stond een stevige vrouw, van het praktische soort. Oude spijkerbroek, vale trui, pittig kort kapsel. Grote handen met eelt. Ik liet haar de stop zien. Mezelf kennende zou ik anders toch geen details over soorten en maten kunnen noemen. ‘Wat?!’, riep ze uit, ‘2 ampère?!’ ‘Euh… tsja’ Meer kon ik er niet over zeggen helaas.

Ijzerwarenwinkel Overtoom

Intussen was ze op haar knieën voor het onderste laatje van een grote kast gaan zitten. ‘Nee, alleen 16 ampère.’ ‘Steeeeefffaaaáán!!’, gilde ze. Vanuit het niets kwam er een vrolijke jongeman met heldere blauwe kraaloogjes aan. Dit was kennelijk Stefan. Hij verwonderde zich ook over de 2 ampère. En begon me vervolgens met zwaar Zaans accent uit te leggen dat 2 ampère waarschijnlijk van een gezamenlijke stroomvoorziening in een trappenhuis was. Bewust zo laag zodat mensen geen stroom gingen aftappen. Leer Stefan de Amsterdammers kennen. Slot van het liedje was dat hij me doorverwees naar een nog specialere speciaalzaak.

Lang leve Stefan. Bij deze speciale speciaalzaak heb ik stoppen van 2 ampère gescoord. Het doosje moest weliswaar uit een stoffige kelder komen, maar toch, ik was er blij mee.
Op de terugweg passeerde ik de zaak aan de Overtoom weer. Ik dacht ‘weet je wat, ik ben in een goede bui, ik ga even melden dat het gelukt is’. Ik zwaaide de deur open. Stefan stond achter de kassa een klant te helpen. Ik stak mijn duim naar hem op. ’t Is gelukt!!’ Hij stak ook z’n duim op en riep: ‘Oké! Ik zal het tegen mijn moeder zeggen!’ Och, wat een schatten, deze mensen. Zo aandoenlijk.

Als de stoppen weer een keer doorslaan bij mij, letterlijk of figuurlijk, weet ik waar ik naar toe moet. De straat op, richting Overtoom. Zo snel mogelijk naar Stefan en z’n moeder. Werkt héél helend.

 

Kom maar, hoer

Laatst las ik een verhaal op de Correspondent over Maher, een Syrische kapper in Nederland. Hij kwam een paar jaar geleden als vluchteling naar Nederland en heeft in Utrecht in korte tijd een succesvolle kapperszaak opgezet. Met hulp van een kennis, maar vooral met heel hard werken en veel doorzettingsvermogen. Knap.

Kapper Maher uit Utrecht

Ik ben nog niet bij Maher geweest. Mijn vaste kapper is een Nederlandse meid van De Knipbar, hier in de buurt. Dus bij de kapper kan ik niet werken aan mijn interculturele vaardigheden. Maar op een ander vlak heb ik sinds kort wel contact met Syrische mensen.

Hoe dit zo gekomen is? Tsja. Ik ben er min of meer ingerold via een onderzoek van de Correspondent. De redactie van dit journalistieke platform wilde onderzoeken hoe het gaat met mensen die afgelopen jaar in Nederland een verblijfsvergunning hebben gekregen. Leren ze de taal, vinden ze werk, hebben ze sociale contacten? De bedoeling was dat leden van de Correspondent deze informatie zouden gaan verzamelen door contact te leggen met iemand die recent een verblijfsvergunning gekregen heeft. Vervolgens een half jaar lang een keer per maand afspreken en een vragenlijst doornemen.

Zo gezegd, zo gedaan. Via de Facebookpagina van dit onderzoek ben ik in contact gekomen met Aida en haar zoon Akram. Tot een jaar geleden woonden ze in Damascus. Na diverse omzwervingen in Nederland wonen ze nu in Zaandam. Ik ben inmiddels een paar keer bij ze thuis geweest. En dat was een feest: linzensalade, falafel, kokoscake en bladerdeegpasteitjes met feta en spinazie.

We praten Nederlands, dat gaat al heel aardig. Hier en daar help ik ze wat. Andersom hebben Aida en Akram mij al vier zinnen Arabisch geleerd. In de categorie ‘Ik heet Marion. Ik hou van thee.’ ‘Ismi Marion. Ana ouhibou al chaï.’ Ja, ik ben er trots op! En je moet érgens beginnen, nietwaar?

De laatste keer, vorige week zaterdag, verliep echter anders. We spraken niet bij Aida en Akram thuis af, maar op een bijeenkomst van Syriërs en Nederlanders in een buurthuis in Zaandam. Deze maandelijkse middagen zijn bedoeld om te ontmoeten en te informeren. Aida was al een paar keer geweest en had mij nu meegevraagd. “Je neemt geen eten mee hoor, je bent mijn gast!”

En dat heb ik geweten. Na de presentaties over het Nederlandse schoolsysteem en de verplichte participatieworkshops, was het buffet geopend. Acht lange tafels vol héérlijk eten. Rijstschotels, pasteitjes, deeghapjes, cake en nog veel meer. Ik werd naar voren geduwd, want ik was de gast. De kaaskoppen waren inderdaad in de grote minderheid. Ik voelde me alsof ik op vakantie was ergens in het Midden-Oosten.

eten

Terwijl ik genoot van kruidenrijst met rozijnen en pistachenoten, praatte ik met een jongen die even daarvoor als Arabische tolk optrad tijdens de presentaties. Hij sprak vlekkeloos Nederlands. Daarom dacht ik dat hij hier geboren was of in ieder geval in zijn vroege jeugd naar Nederland was gekomen. Niks daarvan. Drie jaar geleden is hij vanuit Syrië in Wormerveer terechtgekomen. Ik complimenteerde hem met zijn uitstekende Nederlands. Hij zei dat hij er heel hard op gestudeerd had en dat het soms wel moeilijk was. Vooral de “klankers”. Hikkend van de lach vertelde hij dat ‘ie in het begin het woord ‘hoor’ vaak als ‘hoer’ uitsprak. Wat voor gekke situaties kon zorgen, knipoogde hij veelbetekenend. “Kom maar, hoer!”

Na afloop van de middag was ik me extra bewust van de vrijheid waarin ik leef. Ik voelde me ook hoopvol. Zowel de tolk-jongen als kapper Maher in Utrecht als mijn kennissen Aida en Akram hebben in korte tijd al veel bereikt in dit vreemde land. Het komt wel goed met hen en vele andere “vreemdelingen” in Nederland.

Gister kwam ik er toevallig achter dat mijn kapper De Knipbar failliet is. Een goede gelegenheid om dan maar eens een afspraak te maken bij Maher in Utrecht. Kan ik mooi mijn vier zinnen Arabisch oefenen, met een lekker kopje chaï er bij natuurlijk. En als ik aan de beurt ben en hij roept naar me: “Kom maar, hoer!”, dan weet ik dat dat niet verkeerd bedoeld is.

Het komt door mijn buren

“In een overvolle tram stappen en dat je dan niemand in die tram kent. Dat vind ik het fijnste aan in een stad wonen. Helemaal niemand zit op oogcontact te wachten, niemand hunkert naar smalltalk. Nee, de stedeling zoekt naar privacy in de menigte. In een zwembad kun je synchroonzwemmen, maar in een stad doen ze aan synchroonafzonderen.”

Deze alinea las ik laatst in een column van James Worthy, een Amsterdamse columnist. Ik dacht: ja, daar heeft James een punt.

Amsterdam

Ik hou ook erg van de anonimiteit van de grote stad. Niemand die op je let. Opgaan in de massa. Heerlijk.

Maar toch. Ik woon nu 3,5 jaar in ‘de grote stad’ en het gaat niet goed met mijn anonimiteit…

Dat komt door mijn buren. Ik woon namelijk in een straat waar veel sociale betrokkenheidBuren  heerst. We zijn allemaal nogal bedrijvige mensen, die de hele dag weggaan en thuiskomen. En elkaar dan tegenkomen. We maken een praatje over het weer, het lawaai van de studenten drie huizen verderop, de vermiste poes van buurman V. (“Hij is er hélemaal kapot van!”). En ga zo maar door.

Die betrokkenheid bleek afgelopen weekend ook weer. Tegenover mij woont een zeer oude dame die volledig afhankelijk is van thuiszorg en mantelzorg.
Gelukkig woont haar zoon met zijn gezin boven haar. Het dorp Amsterdam. Mijn bovenbuurvrouw had me al laten weten dat er vorige week een ambulance bij de oude dame voor de deur stond. Dus toen ik zondag thuiskwam en De Zoon haar huis zag uitruimen, schrok ik. Ik dacht, ze zal toch niet…? Ik stapte op De Zoon af. Verzorgingshuis. Het ging niet meer, meldde hij me. Na een praatje en een sterktewens ging ik mijn eigen huis in.

Even later keek ik door het raam naar de groeiende berg grof vuil op de stoep. Wat ook groeide, was de groep buren die om De Zoon heen stond. Zes buren telde ik maar liefst. Ik kon niet horen wat er precies besproken werd, maar het zag er uit als een gezellig tafereel. Het dochtertje van een van de buren speelde met een pan, haar vader rookte een sigaretje, zijn vriendin tilde twee stoelen uit de vuilstapel terwijl er in allerijl een overgebleven blik verf voor de stoelen werd aangereikt. Een andere buurman prutste wat aan zijn elektrische fiets en de vrouw van De Zoon voegde zich ook bij het gezelschap om mee te keuvelen.

Nee, synchroonafzonderen is er in mijn straat niet bij, zeker afgelopen weekend niet. De verdienste van een oude dame. Maar gelukkig is de stad iets groter dan alleen mijn straat. Genoeg ruimte om in de anonimiteit te verdwijnen. En misschien kom ik James daar dan wel tegen. Maar die zit niet op een praatje te wachten, dus ik zal niks tegen hem zeggen.

 

Doe maar gewoon

Ik kijk vaak bij mijn overburen naar binnen. Daar woont een jong stel en ik vind het leuk om te zien wat ze doen. Verder ben ik best normaal hoor. Ik heb alleen last van gezonde nieuwsgierigheid. Of beter: ik houd een oogje in het zeil. Participatiesamenleving avant la lettre.

Ze koken, zitten op de bank voor de tv, aan tafel achter hun laptop. Soms hebben ze vrienden op bezoek. Maken ze ruzie. Gaan de gordijnen ineens midden op de dag dicht. Niks bijzonders dus eigenlijk. Gewoon lekker gewoon. Soms ben ik jaloers op die alledaagse gewoonheid recht tegenover mij.

Gewoon doen. Dat wordt over het algemeen niet erg gewaardeerd heb ik het idee. In interviews met ongewone mensen lees je vaak dat ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ het meest vreselijke aspect van de Nederlandse mentaliteit is. Hup, kop boven het maaiveld en weg met de benepen spruitjeslucht.

Amsterdam als stad heeft meestal niet zoveel last van alledaagse gewoonheid en
dertien in dozijn. De nuchtere noorderling in mij verbaast zich nog vaak genoeg. Zo kun je naar een wenkbrauwbar om je wenkbrauwen te laten stylen. Eten in een hijskraan,
schommelen boven op een toren van ruim 100 meter hoog en een snack halen in een
groentensnackbar.

Schommelen op de A'dam Tower

Maar wat alles slaat, zijn de koffiebarretjes. Ze ploppen als paddestoelen uit de grond tijdens een natte herfst. Met namen als: Coffee Bru, White Label, Koffiesalon, Caffènation, Sixs and Sons en Roasters. En je haalt het niet in je hoofd er een ordinaire Koffie Verkeerd te bestellen hoor. Nee, kéuzes dienen er gemaakt te worden. Bonen uit Ecuador of Ethiopië, groot, middel of klein qua formaat, filter of apparaat, kop of kartonnen beker? Temperatuur, branding, maling. En sojamelk of amandelmelk? De keuzes zijn oneindig. Alleen gewone koffie ontbreekt dus op het menu.

Twee heren die goed op deze rage ingespeeld hebben, zijn Ronald en Arnoud van Vintage
Espresso Machines. Zij tikken oude Italiaanse espressomachines op de kop en knappen ze op. Want waarom alleen koffie drinken bij Coffee Bru, White Label, Koffiesalon,
Caffènation, Sixs and Sons en Roasters? Je wilt ook zo’n tongstrelend bakkie in je eigen casa.

Vintage Espresso MachinesJe kunt de vintage machines vanaf 3500 euro kopen. Dure pleur. Volgens de heren is het
echter een goede investering, want de machines worden alleen maar meer waard. Dat hier vraag naar is, blijkt wel. Kopers staan in de rij en de mannen hanteren een wachtlijst van een half jaar. “Ik ben al drie jaar niet op vakantie geweest. Het is werken, werken, werken”, lees ik.

Sjonge, dat is nog eens goed zaken doen. Wie nu denkt dat het succes Ronald en Arnoud
naar het hoofd gestegen is, heeft het mis. Want er wordt gewoon geluncht met bruine bammetjes met kaas uit de Tupperware-bak en een kop koffie. Of appelsap. Maar op vrijdag hebben ze hun uitje: “Dan gaan we een loempia eten.”

Blijkbaar kun je met de doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg-mentaliteit toch heel
ver komen. En die loempia, die past helemaal in dat plaatje. Doe maar gewoon, dat is al lekker genoeg.

Ik wil verhuizen

Laatst had ik een feestje. In Houwerzijl. Ja, dat is een eind verwijderd van de bewoonde wereld. Het ligt in Noord-Groningen, vlakbij de welbekende plaatsen Doodstil, Moddergat en Zuurdijk. Dat verduidelijkt het misschien.

Na een paar lekkere drankjes piepte ik er even tussenuit. Want ik wilde wel iets meer van Houwerzijl-city zien. Een puik idee, want het bleek een heel schattig dorpje te zijn. De tijd had er stilgestaan.

Al wandelend genoot ik van de pittoreske omgeving, de kleine straatjes, de huisjes met rode daken, de grote buitenplaatsen en de ruime tuinen met veel groen. Ik nam een flinke teug frisse lucht.

Koeien

En toen ging het mis.

Ik dacht plotseling: “Ik wil hier ook wonen!” Weg met die vieze vuige stad waar het vaak net een open inrichting is.
Mijn fantasie sloeg vollédig op hol. Ik zag mezelf al wonen in zo’n schattig klein huisje. Een Huisjerood-wit geblokt tafelkleedje op tafel en kanten gordijntjes voor de ramen. Een soort Hans- en-Grietje setting. Met natuurlijk een grote tuin met weelderige bloemen en mijn zelfgekweekte groente en fruit. Hartstikke mindful, lekker wroeten in de aarde. Weg met yoga-klasjes en dubbele latte macchiato’s. Nee, Houwerzijl was beslist geen gek idee besloot ik.

Terug in de trein naar Amsterdam was ik helemaal vol van dit plan. Het leek me goed om eens op Funda te bekijken, want een huis zou de hoogste prioriteit hebben. De huizenmarkt in Houwerzijl echter, bleek nog oververhitter te zijn dan in Amsterdam. Er stond namelijk niet één huis te koop. Niet 1, uno, iets. Niets. Zelfs geen schuur, garage of kelder.

Dat bracht het eerste scheurtje in mijn fantasie. En wat me vervolgens ook niet zo lekker zat, waren mijn aardige buren in Amsterdam. Die zou ik dan ook definitief gedag moeten zeggen. Met mijn bovenbuurvrouw deel ik lief en leed en vooral de laatste buurtroddels. Met een andere buurvrouw ga ik geregeld wandelen en pizza eten. Mijn buurman naast me heeft me laatst geholpen bij een gaslek en de onderbuurman roept dagelijks naar me: “Lekker weer hè buuf??!” Weer of geen weer. Wilde ik dit dorpse stukje stad wel achter me laten?

Net als mijn vaste koffiebar waar de taartjes zo lekker zijn, de vele culturele
uitgaansmogelijkheden, de grachten en parken, de Marqt, de knappe mannen op straat, Taartm’n bij tijd en wijle hilarische collega’s. En de Amsterdamse ‘humor’. Zeg je “goeienavond” tegen iemand, zegt die terug: “Nou, dat mag ik wel hopen ja!”

De trein had mij inmiddels uitgespuugd in die vieze vuige stad. Al fietsend passeerde ik de bloemenstal vlakbij m’n huis. “Haaai schètt, ’t leven is maaauujer met jauww”, riep de bloemenman terwijl hij een rode roos ferm de lucht in stak mijn kant op.
Houwerzijl. Leuk, maar nu nog niet. Het leven in een open inrichting is toch net even wat spannender dan in de besloten omgeving van Doodstil.

Hobby

Ik hou van hobby’s. Daarom heb ik er ook best veel: fietsen, spinning, door de stad lopen, fotograferen, koffie drinken, uitgaan, lezen, pubquizzen, schrijven, boodschappen in de buurt doen, concerten, musea, kletsen met vriendinnen. Ga zo maar door. En luieren. Maar of dat een hobby is? Het is meer iets waar ik goed in ben.

Allemaal leuk en aardig, maar echt opvallend zijn deze bezigheden niet. Jammer, want iets bijzonders doen in je vrije tijd is best leuk. Zo heb ik in het datingcircuit al een aantal mannen ontmoet die een spraakmakende hobby hadden waar ze smakelijk over konden vertellen. Zo was er een die z’n racefiets meenam op vakantie naar verre oorden zoals Kenia en de Filipijnen en daar vervolgens wekenlange trektochten maakte. Stoer, ik hing aan zijn lippen. Figuurlijk. Letterlijk leek me nog wat vroeg halverwege een eerste date.

Anderen waren erg gepassioneerd over koken/muziek/gamen/geneeskunde/theater/

yoga/televisiekijken/voetbal/werk/drugs/

katten/fotografie/festivals. En nieuwsgierig als ik ben, wilde ik altijd het naadje van de kous weten. Menig man heeft met mij daarom de date van z’n leven gehad vermoed ik, zoveel interesse.

Maar het kan gekker, lees ik in het Parool.

Elke zondagochtend komt in Spaarnwoude een groepje mannen samen. Ze rijden daar op treintjes. Grote mannen op kleine zelfgebouwde treintjes. De benen wijd en knieën en voeten buitenboord.

Treintje

Dertig jaar geleden begon de club mannen in hartje Amsterdam een modelbouwvereniging. Toen het parkeergeld werd ingevoerd, zijn ze verkast naar Spaarnwoude. Want het mocht niet teveel kosten. In Spaarnwoude ligt inmiddels een parcours met drie spoorbanen. Maar dat is niet alles; een station met houten banken, een kassahokje en seinpalen maken het compleet. Allemaal door de heren zelf gebouwd.

De treinfanaten nemen hun hobby erg serieus. Dat is te zien aan bijvoorbeeld Kees. Hij draagt een bordeauxrode stationschefpet. ‘Mijn locomotief is helemaal van hout. Ja, dat is wat hoor. Ik heb hem zo gemaakt dat hij acht kinderen of vier volwassenen kan hebben.’ Met een kniptang knipt Kees de kaartjes van de passagiers. Het lijkt wel echt. ‘Op zondagen zit mijn trein vaak stampvol. Die blije smoeltjes, daar doe je het voor.’
Wat een fascinerende toestand. Wie verzint nou zo’n hobby? Het ziet er in ieder geval
hilarisch uit op de foto’s, die grote mannen op kleine treintjes. Ik zie het helemaal voor me.

Treintje

Misschien moet ik komend weekend eens gaan kijken in Spaarnwoude en meteen een ritje maken. Niet om het een of ander natuurlijk, gewoon uit nieuwsgierigheid. Een date zal er niet van komen, maar een onverwachte nieuwe hobby wellicht wel. Of anders op z’n minst een blij smoeltje.

Ik heb een klacht

Ik heb een klacht. Overal waar ik kom in Amsterdam, gaat de brug open. Onzin zou je denken; je overdrijft, maar nee. Er zijn namelijk 1539 bruggen in Amsterdam. Waarvan 252 in het centrum. En ze gaan echt vaak open! Kortom, een gegronde klacht, al zeg ik het zelf. En ik heb nog eens extra pech.

Tussen mijn huis en de stad ligt namelijk de Kostverlorenvaart. Ga ik vanuit huis linksaf
richting stad, dan sta ik onherroepelijk stil bij de brug bij de Kinkerstraat. Ga ik rechtsaf,
dan moet ik steevast wachten bij de Overtoom. Menig appje heb ik al verstuurd vanaf deze locaties: “Grrrr, brug open, ben 5 min later.” De Rijn is qua scheepvaartdrukte niets
vergeleken bij de Kostverlorenvaart. Vrachtschip na vrachtschip komt voorbij, volgeladen met zand of auto’s. Geen idee wat we midden in de stad met zoveel zand en auto’s moeten, maar er zal vast een hoger doel achter zitten.

Het tafereel gaat vaak zo: ik kom aanfietsen en de alarmbellen beginnen te rinkelen. De
slagbomen blijven echter gewoon open. Provinciaal als ik ben, durf ik toch niet meer door te rijden. Hordes mensen hebben wél lef en lopen of fietsen stoïcijns door. Inmiddels dalen de slagbomen. Nóg steken mensen de brug over. Aan de overkant een gillend groepje pubermeisjes en aan mijn kant kruipt een junk onder de slagboom door en lacht me tandeloos toe: “Ken prima, schèt.”
Brug in Amsterdam
Ik posteer mezelf zo ongeveer met mijn neus tegen de slagboom. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt. En nóg presteert een kerel het om zich even later met fiets en al tussen mij en de slagboom in te wurmen. Dames gaan in Amsterdam kennelijk niet meer voor. Intussen passeert het vrachtschip. Ludovica heet ze. Toeristen nemen foto’s van het schip; selfies met zichzelf vol in beeld. Zodra Ludovica voorbij is en de brug weer geopend, stuift de massa weg. Tringelende trams, fietsers, voetgangers, auto’s; alles kriskras door elkaar: de chaos is compleet. Survival of the fittest.

Laatst dacht ik slim te zijn toen ik zag dat de brug weer eens open ging. Ik had geen zin om lang stil te moeten staan. Nee, ik zou een lekker visje gaan halen bij de visboer naast de brug. Ik werd geholpen door de vrouw van de visboer, die me in elke zin aansprak met ‘dame’. Meneer de visboer besloot zelf ook klanten te gaan helpen en zei tegen de man achter me: “Jongeman, zeg het maar!”. De man keek rond en zei grappend: “U zult mij wel bedoelen?!”. Ik moest toch op de brug wachten dus ik mengde me ook maar in het gesprek: “Tsja, ík voel me niet aangesproken.”. We lachten allevier en grapten nog wat door. Al knipogend naar mij liep de jongeman na z’n aankoop weg, de lange wachtrij voor de open brug in.

Bij nader inzien hoeft wachten bij een brug niet per definitie vervelend te zijn. Je ziet nog
eens wat, dus eigenlijk mag ik blij zijn met die 1539 Amsterdamse bruggen. Ik trek mijn klacht maar weer in.

Bij de politie


Sinds kort zit ik bij de politie. Nou ja, niet echt natuurlijk. Nee. Ik zit bij de Facebookgroep Politie Amsterdam Overtoomsesluis. Vraag me niet hoe ik lid van deze groep ben geworden, ineens was ik het. En wat blijkt, het is een interessante groep.

Onder het kopje Informatie lees ik bijvoorbeeld letterlijk:

“Anno 2015 kunnen wij politie PolitieagentOvertoomse Sluis ons niet meer verschuilen voor de digitale platformen. Onze visie om ‘ online ‘ te zijn is, u snel en vaak met beelden / foto’s te informeren over wat wij allemaal doen in jouw buurt. Ons redactieteam, zijn gewoon collega’s die dag en nacht werken, gewoon, op straat in uw wijk. En soms ook, gewoon, vrij zijn! Immers zijn wij niks voor niks #ASD247. Met u mening en ons soms inventieve wijze zoeken wij samen naar de verbinding. Want samen zijn wij sterk. #OvertoomseSluisZoektVerbinding”

Potverdorie, per zin stijgt toch je sympathie voor de politie? Ik zie al voor me hoe een agent heeft zitten zwoegen op zo’n tekst. Omdat zijn/haar leidinggevende vond dat ‘we ons niet meer kunnen verschuilen voor digitale platformen.’ Tijdens het tekstueel ploeteren vergetend dat drie keer het woord ‘gewoon’ in een zin niet zo fraai is. Heel andere koek dan boeven vangen, maar de schrijvende agenten doen het met verve vind ik. Samen zijn zij sterk. Niet altijd even helder geschreven, maar met de beste wil van de wereld. Én met veel hashtags.

Ik lees vervolgens een bericht over een ongeluk in de Kinkerstraat:

“Een groep Franse mannen (toeristen), had hier in het mooie Amsterdam fietsen gehuurd. De Fransen waren fietsend een vrijgezellen feest aan het vieren.” Een van de feestvierders had volgens de politie de gladheid van de trambaan onderschat en was onderuit gegaan. “De Franse mannen alsmede de aanstaande bruidegom waren erg behulpzaam. Ook bekommerden zij zich over hun vriend door bij hem te blijven terwijl Ambulancedienst van Amsterdam eo met hun vriend bezig was.”

Wat een heerlijke, droge beschouwing. Het lijkt me niet meer dan logisch dat je je om je vriend bekommert en bij hem blijft als die gewond geraakt is. Zélfs de aanstaande bruidegom heeft volgens de politie geholpen! Nou, het moet niet gekker worden.

Maar dan komt het.

“Terwijl we druk bezig waren met de hulpverlening aan het ongelukkige slachtoffer, heeft een of andere onverlaat de fiets van het slachtoffer gestolen. De Franse toeristen baalden enorm en hebben helaas geen mooie ervaring nu aan Amsterdam. Namens ons dank hiervoor! ‪#‎waargaathetheen‬.”

Ik schiet in de lach vanwege de woordkeuze: ‘een of andere onverlaat’. Pietje Bell verschijnt op mijn netvlies. En vooral ‘namens ons dank hiervoor!’. Tussen de regels door lees je de irritatie. Het zit de schrijvende agent echt dwars. Wel weer een mooie #hashtag overigens.

Ongeluk

Maar gelukkig zijn er ook zaken die vrolijker eindigen. Onlangs zagen twee dienders op het Mercatorplein een puppy uit de tram stappen. Ze hebben hem gevangen en meegenomen naar het bureau. “Al snel meldde zijn baasje zich. De pup, Kees genaamd, was alleen op avontuur gegaan. De pup en zijn baasje zijn weer herenigd! Kees heeft natuurlijk een “112 Ik speur mee” halsband gekregen! Kees closed!”

Kees closed. Dan ben je een agent met humor hoor. Een baas.

Ik speur nog wat verder en kom een bericht tegen over het verwijderen van fietswrakken:

“Heeft u een fiets die u nooit meer gebruikt? Bedenk dan wat u er mee wil. Misschien is het tijd dat u afscheid van hem neemt? #opgeruimdstaatnetjes.” Benieuwd hoeveel mensen deze raad ter harte nemen, maar een sympathiek advies is het wel, afscheid nemen van je fiets.

Vaak klinkt de roep om meer blauw op straat. Ik roep in ieder geval om meer blauw op Facebook. Ik weet niet of de wereld er echt veiliger van wordt, maar in ieder geval wél grappiger. #ikbenfan

NB: Ja, er staan wat taalfouten in deze column. Ik heb bepaalde stukken tekst letterlijk van de Facebookpagina van de politie geciteerd. Inclusief taalfouten 😉

In de put

Ik praat vaak over mijn werk. Op elke verjaardag/borrel/bruiloft/vul maar in. Wat doe je voor werk schijnt men gráág van mij te willen weten. Of ‘hullie’ denken dat ik naast mijn werk geen leven heb, dat kan ook.

Toen ik de beroemde vraag laatst zelf op een borrel stelde aan iemand, kreeg ik lik op stuk van hem. “We hebben het hier in Nederland altijd maar over werk!”, brieste hij. “Net of er geen belangrijkere dingen bestaan!” Natuurlijk bestaan er wel belangrijkere dingen, maar daar wil ik het niet met jou over hebben, dacht ik bij mezelf.

Afijn.

Ik moest denken aan de reportage die ik even daarvoor in de krant las. De verslaggever
ging mee met een putwacht: schoonmaken in het Amsterdamse riool. Ja, anno 2016 gebeurt dat nog steeds deels met de hand; raar maar waar. Volgens de verslaggever “probeert de putwacht van Waternet met een verfkrabber de buizen schoon te houden.” Probeert. Dat klinkt niet veelbelovend. En dan ook nog met een vérfkrabber.

Het riool met de hand schoonmaken is geen onschuldig klusje. Het is een kweekvijver voor schadelijke bacteriën, virussen en schimmels, wat voor verstikking door zuurstoftekort of vergiftiging door gassen kan zorgen. Bij een te hoge concentratie ben je zo van de wereld. Daarom wordt de lucht continu via een gasmeter in de gaten gehouden. “Als de meter uitslaat, is het rennen geblazen”, vertelt putwacht Ron nuchter. Terwijl hij een keer onder de grond zat, werd verderop een drugslab opgerold. Het drugsafval werd snel in het riool gedumpt. “Levensgevaarlijk.”

Riool

Gewapend met hun verfkrabbers kruipen Ron en zijn collega’s het buizenstelsel in om het vuil van duizenden stadsbewoners van de muren te schrapen. In twee jaar tijd wordt zo het hele rioolstelsel onderhouden. Daarna begint het, hoe verrassend, weer opnieuw. Ron: “Ik zit al 27 jaar in de put.” Dat doet blijkbaar niet af aan zijn droge humor.

Maar dan. Ondergronds blijkt het interessanter en levendiger dan gedacht. Ron wijst een rattennest aan. “We zien ratten zo groot als katten.” Even verderop springt een kikker weg. Er drijft een stuk poep voorbij. Een stevig stuk, zegt hij bewonderend, want de meeste drollen zijn al stukgeslagen na een paar vrije vallen eerder in het riool.
Verder weet Ron na 27 jaar dat de meeste mensen hun gebruikte condooms netjes dichtknopen. Altijd een interessant weetje voor op eerdergenoemde feesten en partijen. Ook is duidelijk wanneer de zomervakantie begint, want dan bevat het riool een overdosis goudvissen. Rare jongens, die Amsterdammers.

Tjonge, wat een baan heeft deze beste man. Hij verkeert dagelijks tussen onze gebruikte condooms, afgedankte goudvissen en ratten zo groot als katten. Respect. Vergeleken met Ron is mijn werk maar Spielerei Onder Het Systeemplafond. Waar we snel een raam openzetten als een collega iets teveel knoflook heeft gegeten en we om het uur een verse cappuccino halen.

Zolang er mensen met een beroep als putwacht bestaan, wil ik het op elk feestje juist héél graag over werk hebben. Over Ron’s werk bijvoorbeeld, want dat is reuze belangrijk. Maar maak dat die lik-op-stuk-kerel maar eens wijs.

Naar de kapper

Afgelopen week las ik in de Amsterdamse uitkrant een artikel over kappers. Correctie. Het artikel ging over winkels, barretjes en fietsenmakers waar óók je haar geknipt kan worden. Het zijn zogenaamde ‘beleveniskappers’. “Louter knippen is passé”, volgens het artikel.

Hartstikke leuk, dit soort initiatieven. Maar ik moet bekennen dat ik nog geen klant ben van zo’n ‘beleveniskapper’. Ik heb al jarenlang halflang tot lang haar. Bij elk kappersbezoek is het recept: “Doe maar een stukje er af.” “Ja, in laagjes, ja.” Ik heb al heel wat gapende kappers gezien. Laat staan dat zo’n écht hippe kapper annex fietsenmaker annex wijnbar annex boekenwinkel lol aan mij zal beleven.

Kapper

Helaas voor deze entrepeneurs is er nóg een heel grote groep vrouwen waar de knip-belevenis niet centraal staat. De vrouwen met Kort Pittig Kapsel. Ja, bewust met hoofdletters, zo heet namelijk de roemruchte groep op Facebook. Dames met namen als Jos, Helma, Paula en Miranda tonen er vol trots hun Kort Pittige Koppie. Hun kapsel laat zich het beste omschrijven als opgeschoren aan de zijkant en stekels bovenop. ‘Stiekels’, zoals we vroeger in Drenthe zeiden. En bij voorkeur zijn de stekels koperrood geverfd. Soms bevat het korte kapsel een langere lok, strak en scheef over het voorhoofd getrokken.
Om de pronte boezem dragen deze dames een felgekleurd en druk gedessineerd tricot tuniek van Miss Etam. Verder naar beneden een witte driekwart legging. Waar je deze pittige types tegenkomt, behalve op hun eigen Facebookpagina? Nou, bij de Huishoudbeurs bijvoorbeeld, met de rolkoffer vol gratis goodiebags.

Over vroeger gesproken; vriendin C. en ik waren in onze studententijd altijd doodsbang voor het moment dat we later een jas met afbeelding van een bloem of beertje Paddington op de achterkant zouden gaan dragen. En een kapsel met ‘stiekels’ zouden hebben. Want ons studentenbrein dacht dat je dat nou eenmaal deed en had, als je de dertig gepasseerd was. Zowel C. als ik zijn inmiddels in volle glorie de dertig gepasseerd en dragen géén jas met een beertje of bloem achterop en hebben géén kort, pittig kapsel.

Misschien zou ik, om het Kort Pittige Kapsel voor te blijven, toch maar eens naar Kappereen ‘beleveniskapper’ moeten. Nu ik erover nadenk vind ik het eigenlijk ongelijkwaardig
dat de Kort Pittige Vrouw niet haar eigen ‘beleveniskapper’ heeft. Geknipt worden met een glaasje Apfelkorn in de hand, een live concert van Frans Bauer en na afloop een rolkoffer met beautycadeautjes mee naar huis. Er is markt voor, als ik om me heen en op Facebook kijk. Maar ik sla deze kapper voorlopig met liefde over. Het is mijn tijd nog niet, denk ik. Hoop ik.

3 tips voor single mannen

Laatst was ik met een paar vriendinnen aan het kletsen. We hadden het over mannen. Uiteraard. Daar kun je als vrouw uren over praten. Hoewel, praten? Het was meer klagen. Over dates. Rare, contactgestoorde en tegenvallende dates. Zelf kon ik ook lekker mee klagen.

Zo kwam ik op het idee om de mannen een paar tips te geven. Wat moeten ze niet doen, en wat juist wel? Want een geslaagde date; welke vrouw wordt daar nou niet gelukkig van? En als de vrouw gelukkig is, afijn, je snapt ‘em wel.
Dus hierbij drie dingen die mannen niet moeten doen bij het daten, met daarbij een tip over hoe het wel moet:

1. Je wilt een hoogopgeleide pittige dame natuurlijk wel een beetje intelligent aanspreken. De digitale openingszin “Hoi, hoe is het daar?” gooit geen hoge ogen bleek uit gedegen onderzoek (n=4). Hoe is het daar? Waar?! Zo’n man weet toch niet waar ik ben? Ik denk dan bij mezelf na zo’n vraag: bij mij in Amsterdam-West gaat het op dit moment goed, maar voor hetzelfde geld wordt er om Datende hoek weer iemand geliquideerd. Dus wat zeg je dan voor zinnigs, in zo’n geval?
Op mijn antwoord “Waar?” kreeg ik vervolgens de letterlijke reactie: “Whoehahaha, gewoon bij jouw! Ik zit heerlijk voor de buis hahahaha!!”
Zo’n reactie slaat toch elk zinnig gesprek dood, om bij het thema liquidaties te blijven?
Tip: Gebruik je intellect. Als je dat niet hebt, doe dan in ieder geval alsof.

2. Nadat je je best hebt gedaan op een openingszin en intelligente dingen hebt gevraagd, volgt er vast en zeker een date. Oké, maar ga dan vervolgens niet uren zitten zwetsen over je werk bij de gemeente Beverwijk. Hártstikke leuk dat je zo enthousiast bent over je baan daar als assistent infrastructureel projectmanager, maar details over de aanleg van een nieuwe afrit in Beverwijk Zuid-West mag je je date besparen. Inclusief de gehele tijdsplanning en het gedetailleerde kostenplaatje.
Tip: De dame tegenover je heeft hoogstwaarschijnlijk óók een baan. Misschien wil je daar ook wat over weten? “En wat doe jij voor werk?” zou al een uitstekende vraag zijn, om te beginnen.

3. Stel nou dat het allemaal van een leien dakje gaat, dan nodig je op een gegeven moment je aanstaande meisje thuis uit voor bijvoorbeeld een etentje. Zij tut zich op en doet net even een extra laagje mascara op. Ook wordt het leukste setje kleding uit de kast getrokken. Zo zijn vrouwen. Maar beste mannen, doe dan vervolgens niet de deur open met je Spaanse sloffen aan. Met blote voeten er in. Als vrouw wil je dan rechtsomkeert maken.
Spaanse sloffenTip: Als je je date thuis ontvangt, verstop je Spaanse sloffen. Trek gewoon een paar leuke schoenen aan. Met sokken alsjeblieft.

Zo kunnen wij vrouwen nog wel even doorgaan. Maar ach, het hoeft ook allemaal niet heel erg opgeprikt te zijn. Als mannen zich aan bovenstaande adviezen houden, zijn de dames al een stuk tevredener. Nu ben ik eigenlijk wel benieuwd of de heren ook zulke probleemgevallen tegenkomen. Ik kan het me niet voorstellen. Maar helemaal zeker ben ik er toch ook weer niet van. Uit voorzorg zal ik in ieder geval mijn Spaanse sloffen achter in de kast leggen. Dan kan ik op dat punt tenminste niet de fout in gaan.

Vreemde vogels

Laatst was ik ziek en daarom kwam mijn moeder op bezoek. Niks fijner dan een beschuitje en kopje thee van je moeder als je ziek bent. Ook al ben je al 33 jaar oud.
Nog voordat mijn moeder goed en wel binnen was en vroeg hoe het met me ging,
riep ze: “Weet je wat ik net zag hier op straat?!” “Nee, geen idee.” “Een man
met zeven teckels aan de lijn!!!” Ik moest mijn moeder teleurstellen, ik zie dit heerschap geregeld met tíen teckels. Inmiddels ben ik daar niet meer verbaasd over. Alles went. Al vraag ik me wel af wat je met tien teckels moet.

Ik zeg tegen moeders dat ik wel vaker vreemde vogels zie bij mij in de straat. En
dan doel ik niet op de grote groene parkieten die de hele stad bevolken.
Zo loopt er vaak een kale donkere man in een geheel wit pak en witte bril langs. Vroeger zou je trouwens gewoon neger zeggen, maar dat mag nu niet meer. Hij draagt altijd een heel grote radio op zijn schouder, waar uiteraard luide muziek uit komt. Zowel
zijn muziek als verschijning zorgen voor een vrolijke noot in de straat. Letterlijk en figuurlijk.

Iemand anders die voor vrolijkheid zorgt, is mijn onderbuurman. Deze beste man is Vogel
immer goedgemutst en heeft één onderwerp waar hij graag over praat. Het weer. Zodra we elkaar tegenkomen op straat, begint hij over het weer. Volgens hem is het elke dag goed weer. Fijn als je altijd één onderwerp paraat hebt om over te praten en zo opgeruimd in het leven staat. Wel zo overzichtelijk. Schrik dus niet als ik binnenkort op een feestje over het weer begin, schijnbaar word je er vrolijk van. Of werkt het andersom, dat een vrolijk persoon graag over het weer praat, bij gebrek aan problemen om over te praten?

Over opgeruimd gesproken: dat kun je van het hoekpand vlakbij mijn supermarkt niet zeggen. Daar woont een man die zijn hele huisje, een voormalig winkelpand, volgestouwd heeft met rommel. Vaak staat de deur open en hij heeft doorschijnende rolgordijnen, dus je kunt alles zien. Van onder tot boven en van links tot rechts: troep. Hoe kun je hier leven vraag ik me af. Wie wat bewaart, heeft wat, schijnt deze man denken. Zou die man met al die teckels dat ook denken? Wel opvallend trouwens dat alle vreemde vogels in mijn buurt mannen zijn. Dit kan geen toeval zijn.

Het beschuitje en kopje thee zijn op. Mijn moeder is helemaal op de hoogte van de vreemde buurtvogels en gaat weer weg. Morgen kan ik niet komen, zegt ze. Dat geeft niet mam, want met dit soort fascinerende mensen in de straat, verveel ik me geen seconde. Je zou je er haast een extra dag voor ziek melden.

Wat moet ik doen?

Vorige week zaterdag keek ik uit het raam. Lekker ontspannend. Totdat mijn oog viel op een dikke jongen.

De jongen stond vanaf de straat voorovergebogen in zijn auto te graaien. Links en rechts naast zich gooide hij afval neer. Wat is dit nu weer voor idioot, dacht ik bij mezelf. Maar toen kwam hij overeind en greep naar z’n kruis. Nog voordat ik goed en wel met mijn ogen kon knipperen, stond de dikkerd midden op straat te plassen.

Ja, te plassen. Midden op de rijbaan, geen boom te bekennen. Hij tilde z’n jongeheer nog wat hoger op zodat er een straal met grote boog ontstond. Klaterend kwam zijn plas op straat neer. Hij keek triomfantelijk in het rond.

Ik zag het aan en was met stomheid geslagen. Welke idioot gaat er nu midden op straat staan pissen? Tegelijkertijd werd ik boos op mezelf. Waarom laat ik dit gebeuren? Intussen stapte de jongen in zijn auto en reed scheurend weg.

Moedeloos streek ik neer op de bank. Maar plots moest ik denken aan Hilleke. Hilleke Keereweer, een 80-jarige struise dame die de voedselbank in Amsterdam-Osdorp bestiert. Zij zou wél raad weten met zo’n straatpisser. Ik denk dat ze hem bij kop en kont had gepakt en zonder pardon in de gracht had gegooid. Hilleke
Het Parool wijdde onlangs een mooie reportage aan Hilleke Keereweer. Deze daadkrachtige senior stuurt met verve twintig vrijwilligers bij de voedselbank aan. Ze doet oproepen via kerkbladen en lokale kranten: wie kan er nog melk, kaas of knuffelbeesten missen? Of als een klant in een crisis blijkt te zitten, kijkt ze met hulpinstanties of ze kan helpen.

Dit vrijwilligerswerk bij de voedselbank doet Hilleke al 10 jaar. Andere banen heeft ze nooit zo lang volgehouden.
Als twintiger woonde ze aan de grachtengordel en zou ze gaan trouwen. Drie weken voor de grote dag had de aanstaande bruid er ineens geen zin meer in. Ze blies het huwelijk daarom af. “Met mannen was het net als met banen, na een tijd was ik er weer klaar mee.” Kijk, dan heb je lef hoor.

Ik moet dus gaan werken aan mijn innerlijke ‘Hilleke’. Gelukkig heb ik nog 47 jaar om te leren net zo kordaat te worden als zij. Als ik straks op mijn 80ste zo’n pissende stumper tegenkom, weet ik wat me te doen staat. Hopelijk voor dat kereltje is er dan geen gracht in de buurt.