Ze bedoelde het wel goed

Laatst las ik een overlijdensbericht. Na alle gebruikelijke woorden over verdriet en gemis viel mijn oog op een bijzonder zinnetje: Daar zou de wereld er meer van moeten hebben.

Eh, is dit een hint richting de lezer?

“Kijk eens stelletje prutsers, aan deze man kun je een voorbeeld nemen. Sterker nog, de wereld zou er beter uitzien als er meer mensen zouden zijn zoals hij!”

Heerlijk, ik ben dol op passief-agressieve formuleringen. Sinds de rouwadvertentie zie en hoor ik ze gek genoeg ook steeds meer. Een buurman laatst tijdens de VVE-vergadering: “Door de late afzegging van … zitten we nu zonder document X.” Veelbetekenende blik erbij. Top. Inwendig smul ik er van.

Ook bedrijven kunnen er wat van. Zo adverteert de Amsterdamse taxicentrale TCA met: “Wij kennen Amsterdam écht”. Een subtiele sneer naar hun concurrenten of naar Über. Het bedrijf waar ik werk, heeft helaas een vriendelijke slogan: Het meest complete leerplatform voor organisaties. Niks passief-agressiefs aan. 

Onze officemanager is ook al zo aardig, ze stuurt keurige mailtjes of we de sleutels van de bedrijfsauto in het laatje terug willen leggen, de afwas in de afwasmachine willen doen en ook misschien onze eigen lunchtroep op willen ruimen. Geen talent voor passieve agressiviteit, deze aardige meid. Zelfs nadat de autosleutels voor de zoveelste keer kwijt zijn, mailt ze: “Er gaat iets niet goed, de sleutels liggen niet in het laatje.” Heel feitelijk. Geen snerende ondertoon.

Terwijl het zo leuk kan zijn, een beetje passieve agressie op kantoor. Dat maak ik wel op uit een artikel dat ik tegenkom over passief-agressieve mailcommunicatie. Email blijkt een uitermate geschikt medium om onderdrukte agressie subtiel de vrije loop te laten:

  • Misschien heb je mijn vorige mail niet goed ontvangen…
  • In de bijlage vind je nogmaals…
  • Zoals ik al eerder aangaf…
  • Ik vroeg me af of je al tijd hebt gehad om…
  • Hou je me op de hoogte?

Fantastisch! Zo onschuldig, maar ondertussen… Ik denk dat onze officemanager hier best iets mee kan:

Beste collega’s,

Misschien hebben jullie mijn vorige mail niet goed ontvangen, maar zoals ik al eerder had aangegeven, zou ik het op prijs stellen als jullie de autosleutels in het laatje terug leggen na gebruik. De sleutels zijn momenteel kwijt. Ik vroeg me af of diegene die de sleutels als laatste gebruikt heeft, misschien nog geen tijd heeft gehad om ze terug te leggen? Houden jullie me op de hoogte?

Groetjes, [naam officemanager]

Ik zou de hele dag wel zulke mailtjes willen rondsturen. Lekker.

Maar dat heeft dan waarschijnlijk als consequentie dat er in mijn rouwadvertentie tzt ook een passief-agressieve zin staat. Zoiets als: Ze bedoelde het wel goed. 

En of ik daar nou zo blij mee moet zijn?

Gluren bij de buren

Ik mag graag gluren.

Ik zeg het maar eerlijk, want zo is het nou eenmaal. Bij elke huiskamer zonder luxaflex, móet ik stiekem even naar binnen kijken. Mijn vriend vindt het niet kunnen, maar ik doe het gewoon.

Ik gluur ook vanuit mijn eigen huis. Gluren bij de buren. Vooral ’s avonds kijk ik graag naar de overkant van de binnentuinen, recht bij een stelletje naar binnen. Ik kijk uit op hun woonkamer en ze hebben geen gordijnen. Een feest voor een gluurderig type als ik! Niks leukers dan huiselijke taferelen te bekijken: tv, kaarsje, dinertje, vrienden op bezoek. Dat werk. Niks spannends, maar toch interessant om ’s avonds stiekem tussen de luxaflex door te koekeloeren.

Ik weet zelfs de namen van deze mensen: Frederik en Jetty. De reden dat ik ze bij naam en toenaam ken? Toby. Een dikke grijze kater, formaat mini-varken.

Het lijkt een goedaardig en sullig beest, maar schijn bedriegt. ’s Nachts vecht hij er met andere katten op los in de binnentuinen. Dat gaat er bepaald niet zachtzinnig aan toe, het gekrijs houdt iedereen rondom de binnentuinen wakker. Daarnaast is Toby ook avontuurlijk, hij steekt geregeld een paar dakterrassen over en belandt dan op de terrassen aan mijn kant. En durft vervolgens niet meer terug. Vandaar dat Frederik al meerdere malen met kattenreiskoffer en brokjes bij mij voor de deur heeft gestaan. Ja, via Toby leer je je buren écht kennen, in plaats van alleen maar naar ze te gluren.

Toen ik laatst een keer ziek was en dus alle tijd had om ook overdag te gluren, zag ik dat het interieur van Frederik en Jetty er heel anders uit zag. Ik dacht: “Huh, ze zullen toch niet zomaar verhuisd zijn?” Tegelijkertijd realiseerde ik me dat ik dikke Toby ook al een tijd niet meer had horen krijsen ’s nachts. Ik keek nog eens beter; de racefiets van F. op het balkon was weg en er stond een grote onbekende plant in het midden van de kamer. Ja, dit alles was verdacht. Ik appte onmiddellijk mijn buurvrouw, hier moesten we meer over te weten komen. We noemen elkaar vaak Sherlock [achternaam], dat zegt genoeg.

Daadkrachtig als ze is, ging ze meteen op onderzoek uit. Via het wereldwijde web vond Sherlock Bovenbuuf uit dat Frederik met zijn bedrijf nog steeds geregistreerd stond op het welbekende adres. Ook zag ze dat de kattenladder nog aan het balkon hing.

Vakantie, was haar conclusie. En een nieuwe plant gekocht.

Die nacht werd ik wakker van een hels kabaal en gekrijs. Mijn vriend mompelde geïrriteerd: “Pffff daar heb je die vechtende katten weer.” Het maakte mij niet veel uit, want ik besefte dat ik mooi weer kon gaan gluren naar de huiselijke taferelen bij Dikke Toby & co. Maar daar snapt mijn vriend natuurlijk helemaal niets van.

Ik laat me niet kisten

Ik denk geregeld na over de dood. Dat komt omdat ik elke dag de rouwadvertenties in de krant uitgebreid doorneem. Raar maar waar. Namen, leeftijden, tekstjes, familiesamenstellingen en -drama’s, allemaal even interessant. “Na een leven vol passie voor zijn gezin, zijn werk, treinen en mooie vakanties, is Henk aan zijn laatste reis begonnen”. Prachtig toch? Hoe zielig ook voor de betrokkenen, ik smul er van. Vooral dat stukje over treinen vind ik mooi. Ik zie deze Henk al voor me.

Toch zet deze interesse me ook aan het denken: wat moet er gebeuren als ik plotseling overlijd? Want ik zie ze voorbijkomen hoor in de advertenties; mensen die zonder aanzien des persoons zó weg waren. Plotseling verdwenen naar de eeuwige jachtvelden. Ik heb niks vastgelegd, dus het wordt maar wat gokken voor mijn naasten. Ik vind dat eerlijk gezegd wel sneu voor ze. Maar ik durf nog geen woord over mijn laatste wensen op te schrijven, dat voelt toch alsof ik het universum indirect verzoek. Ik ben als de dood voor de dood eigenlijk.

Er zijn echter mensen die dapperder in het leven staan, zich minder afhankelijk van het universum opstellen. Tijdens een lange treinreis lees ik een artikel in het Trouw zaterdagmagazine: “Geen angst voor de dood; deze mensen halen hun kist alvast in huis.”

Nou ja zeg, da’s toch ook gek?! Je kist alvast in huis hebben! In Nieuw-Zeeland bestaat er zelfs een vereniging waar je je eigen kist kunt bouwen en versieren. Over rare hobby’s gesproken. In Nederland bestaat zo’n vereniging niet, zegt het artikel. Maar dat weerhoudt de fanatiekelingen er niet van toch alvast voorbereidende werkzaamheden te doen.

Theo (80) heeft bijvoorbeeld zijn kist beschilderd met een Toscaans landschap. Hoe mooi ook, Theo wil de kist het liefst verkopen: “In mijn atelier is maar ruimte voor één kist, en ik zou graag aan de slag gaan met iets nieuws. Als deze weg is, maak ik eerst een zonsondergang, en daarna iets met vlinders.” Theo is klaar voor de dood, maar is er nog lang niet aan toe, concludeer ik. Nog teveel creatieve inspiratie.

Van alle geïnterviewden is Puck (82) het best voorbereid op haar dood. Ze maakt graag
funeraire reizen naar begraafplaatsen overal in Europa, weet al welke tekst er in haar overlijdensadvertentie moet komen te staan en ook de plek van het graf is al bepaald. Maar het bewijs van een piekfijne voorbereiding is dat ze haar kist al in huis heeft, in de vorm van een boekenkast. Een boekenkast ja. Puck staat trots op de foto voor haar boekenkast annex doodskist.

puckPoeh, da’s toch wel wat hoor. Waar nu de boeken staan, lig je dan vroeg of laat zelf. Met je hoofd op de plek van Harry Potter en je voeten ter hoogte van Bridget Jones. Of andersom. Is het dan zo dat elke keer als je een boek uit de boekenkast pakt, je de dood in de ogen kijkt? Vreemde gedachte.

Te vreemd voor mij. Bij deze heb ik besloten dat ik me voorlopig nog niet laat kisten door de dood. Letterlijk en figuurlijk niet. Harry en Bridget blijven rustig op hun plek in de boekenkast. Die gewóón bestemd is voor boeken.

Samen sherry drinken

Sinds een tijdje ben ik lid van Burennetwerk Amsterdam. Volgens de omschrijving op hun Facebook-pagina: Mensen, die een goede buur willen zijn, worden gekoppeld aan mensen die wat extra hulp kunnen gebruiken.

Participatiemaatschappij enzo, je weet wel. Geen verkeerd idee om wat meer te participeren dacht ik. 

Ik was de laatste tijd echter geen goede buur, Burennetwerk-technisch gezien. Meer een slapende buur, nog niet erg actief. Maar toen zag ik een oproepje dat me bijbleef:

Het oproepje...Ik vond het zo sneu dat deze oude dame helemaal alleen zou zitten met Kerst. Of voelde ik me aangesproken doordat er stond dat ze ‘een opgewekt iemand’ zochten? Maakt niet uit, ik dacht: gaan met die banaan!

Een dag vantevoren belde ik haar om mijn komst aan te kondigen. “Gezellig schat, dan drinken we samen een sherrytje!”, riep ze enthousiast. Dat belooft wat, aan de drank met een dame van 86.

Dus daar ging ik, op de zondagmiddag voor Kerst, naar mevrouw H. in Amsterdam- Noord. Een dik kwartier fietsen en dan nog even met het pontje het IJ oversteken. Ook al ben ik een redelijk georganiseerd type, ik ben toch vaak een paar minuten te laat. Dus die pont miste ik natuurlijk. Tien minuten te laat belde ik aan bij mevrouw. Ik was nog niet binnen of ze riep: “Ik zat net op de wc!” Oh nee hè, zo’n bijdehante Amsterdamse, dacht ik. Heb ik weer. En; wie gaat er nu naar de wc als je bezoek verwacht? Of was dit nou die genoemde vergeetachtigheid? Een hoop gedachten tijdens de eerste indruk.

Ik had in het kader van de kerstgedachte een bosje rode tulpen voor haar meegenomen. Dat kwam goed van pas, want ze klaarde meteen op. “In de keuken staat wel een vaas, zoek er maar een schat!”. Dus daar stond ik, in minuut #2 in haar keukenkastjes te rommelen op zoek naar een vaas. Wat een giller, ik zag mezelf staan. Mevrouw kletste ondertussen vanuit de kamer gewoon tegen me. En of ik dan meteen even thee kon zetten. Dus in minuut #3 trok ik alle kastdeurtjes open op zoek naar theezakjes.

Toen ik de tulpen op vaas had gezet en de thee was gezet, kletsten we een eind weg. Mevrouw bleek een lief oud mens vol verhalen over haar kinderen, kleinkinderen (“Schátten van jongens, en zo knap!” Waarbij ze me veelbetekenend aankeek), schoondochter (“Jaaaaa, een bitch hoor, een échte bitch!”). Gelukkig vroeg ze ook wat aan mij, waar ik woonde bijvoorbeeld. Toen ik zei dat ik in Amsterdam-West woon en op de fiets was gekomen, kreeg ze haast een rolberoerte. “Heb je dat hele eind gefietst?” Ze kon het níet geloven. Ik vertelde haar maar niet dat ik elke dag 6,5 kilometer naar mijn werk fiets. Enkele reis. Dat zou haar echt fataal worden.

Na de thee moest ik de sherry uit de keuken pakken en kon het borreluurtje beginnen. Na twee glaasjes sherry heb ik het toch maar voor gezien gehouden, ik moest tenslotte nog dat héle eind terug fietsen.

sherry

Mevrouw was erg blij dat ik geweest was, ik moest zéker nog eens langskomen. Ik vond het ook leuk; iets goeds doen smaakte naar meer.

Buren, here I come! Maar wel graag weer met een sherrytje on the side, want ook die smaakte naar meer.

 

Is dat nou wel handig?

Ik hou eigenlijk niet van dieren. Zo, dan heb ik het maar gezegd. Het zat er van jongs af aan al niet in; ik herinner me een foto van toen ik een jaar of 3 was en in de vogelkennel van de kinderboerderij stond. Mijn broers hadden dikke lol en ik stond hard te huilen. Met een groep grote fazanten om me heen. Horror. Op een andere foto sta ik ook al huilend, omdat mijn broer zich in het kippenhok heeft verstopt. Hup, daar ging ik weer. Probleempje uit een vorig leven denk ik.

Bang voor mijn broer als kip

Het beperkt zich helaas niet alleen tot kinderboerderijvogels of broers die kippen nadoen. Dat zou niet zo erg zijn wanneer je reeds 35 bent. Honden: bang voor. Katten: te eigenwijs. Muizen: schichtig, smerig en vooral doodeng. Ratten: overtreffende trap van muizen. Ganzen: meteen agressief als je op je dooie gemakkie langs wandelt. Duiven: onnozele beesten die altijd voor je fietswiel rondstappen en vervolgens in je gezicht fladderen met hun gore vleugels.

Laat staan wat er zou gebeuren als ik een olifant of giraf tegenkom. Niet te doen. Hoewel me dat ook wel weer indrukwekkende dieren lijken. Maar dan zou ik bang zijn dat ze me vermorzelen. Zo is er altijd wat, met elk dier.

Om me heen zie ik veel mensen die wél van dieren houden: Een ex-vriendje dat meteen de engste pitbulls ging aaien, m’n bovenbuurvrouw met haar zwarte katje Beppie, een echtpaar verderop in de straat met 16 teckels. Nee, ik overdrijf niet, het zijn er echt 16 en ze worden vaak tegelijkertijd uitgelaten. Als ik deze mensen zo zie, kan ik me best voorstellen dat je een bijzondere band met je huisdier opbouwt en dat je er iets aan hebt. Steun of plezier. Of een maatje om tegenaan te praten.

Zo passeerde ik deze week op straat een vrouw die tegen haar hond zei: “Is dat nou Weimarse staandehandig, Silver?” Gezien het uiterlijk van de hond, een statige Weimarse staande (ja, dat heb ik ook maar van Google hoor) denk ik dat het Silver op z’n Engels is, en niet ordinair Zilver. Het was mij niet duidelijk wat Silver dan voor onhandigs aan het doen was, maar goed. Silver wordt door deze vrouw als volwaardig beschouwd. De moeite waard om te waarschuwen voor onhandige zaken. Het heeft wel iets.

Na mijn wandeling kwam ik in het kader van dierendag een verzameling van de meest grappige Nederlandse dieren Instagram-accounts. Het gekke is dat sommige van deze dieren bijna honderdduizend volgers hebben. 100.000! Ik heb er 107. Nee, geen 107 duizend, nee.

Een poes of een hond?Ik word toch nieuwsgierig, dus ik ga even op Instagram kijken. Op ‘Insta’ zoals mijn jeugdige collega’s zeggen. Ik zie een rare poes met heel lang haar die op een hond lijkt, een konijn dat verdwijnt tussen het wasgoed in de wasmand en een eigenwijs Frans bulldogje. Aandoenlijk. Maar de meest opvallende is toch wel LouLou, een mopshond uit Dronten. LouLou staat werkelijk op elke foto raar aangekleed, alsof het een klein kind loulou3is dat in de verkleedkist gedoken is. Met brillen en knuffels. Als stoere vent achter het autostuur en als lief meisje in een bloemetjesveld. Bizar. Wie verzint nou zoiets.

Hé! Er komt een Facebook privébericht van een goede vriendin binnen.

Ik citeer: “Superleuke functie Marion, zou er zelf wel op willen solliciteren als ik niet te ver weg woonde. Kijk maar even. Goed doel in elk geval.”

Om welke organisatie het gaat? Stichting Dier&Recht. Oeps. Ai. Een greep uit de functieomschrijving: je zet je met hart en ziel in voor dieren. Je vertaalt interessant diergedrag in teksten. Je werkt samen met dierenartsen.

Het is inderdaad een goed doel, maar níet goed voor mij denk ik. Om met het baasje van Silver te spreken: “Is dat nou wel handig?” Het antwoord moge duidelijk zijn. Anders heb ik straks nog meer foto’s waar ik huilend op sta. En die tijd zijn we nu wel voorbij.

 

Een bericht van mijn moeder

Op het werk hebben we een nieuwe stagiaire. Prima. Niks mis mee. Gaat goed. Er is alleen één ding: hij zegt consequent ‘u’ tegen me. Ik verslikte me in m’n koffie toen hij dat voor de eerste keer zei. Kijk, ik verdien wel respect, maar zo oud ben ik nou ook weer niet.

Over respect en oud gesproken: mijn ouders hebben sinds een maand een smartphone. Respect!

Nou ja, ik zeg wel ouders, het is vooral mijn moeder die zich met dit nieuwe speeltje bezighoudt. Mijn vader heeft het consequent over ‘Dat Ding’ en waagt zich er niet aan. Kwestie van tijd, denkt de optimist in mij. Mijn moeder heeft er namelijk een hoop lol in. Het is een hele belevenis voor haar. En voor mij ook.

Toen de telefoon net binnen was, namen we eerst een selfie. Moeders eerste selfie. Ze kijkt nog wat onwennig.Mama's eerste selfie!
Daarna ging ik haar Whatsapp uitleggen. Ik zag rode koontjes van opwinding. Snap ik, het is ook best spannend in het begin. Ineens kun je chatten met 9 contactpersonen. Wie weet wat dat allemaal gaat brengen. Vanaf dat moment krijg ik bijna dagelijks appjes. En dat is een feest. Want mama kleedt haar berichten aan met de meest uiteenlopende en originele emoji’s. Soms wel wat cryptisch:

‘Heb je al taart bij de buurvrouw gegeten? *emoji van een stuk pizza* (?)

‘Ga je morgen weer sporten?’ *emoji van een zonnebloem* (?)

‘We zijn vandaag met Jacob naar het zwembad geweest’ *emoji van een vis* (?)

‘Pannenkoeken eten is altijd leuk en lekker!’ *emoji van een taart* (?)

‘Geniet vandaag lekker op het dakterras!’ *emoji van een vaag kunstfiguurtje met Japans opschrift* (?)

Ja, moeders heeft wel fantasie.

mama

Beeld komt ook op een andere manier aan bod: ik krijg nu geregeld foto’s van mijn vader toegestuurd. Met een krantje in de tuin, op een bankje in het park, wandelend met zijn kleindochter. Op je 69ste nog een carrière als fotomodel, het zal je maar gebeuren. Hij vervult deze rol met verve in ieder geval.

Screenshot_2017-09-08-14-42-35Soms zijn de gesprekken uitgebreid en soms blijft het bij korte berichtjes. Mijn moeder hanteert in ieder geval nog de gebruikelijke keurige offline omgangsvormen: “Ik ga nu offline hoor, dus het komende half uur reageer ik even niet.” Schitterend, wie gaat er tegenwoordig nou nog offline? En vooral, wie meldt dat dan?

Met de uitgebreide gesprekken heeft moeders soms nog wel wat moeite; ze vindt dat ik erg snel typ. Nou, het omgekeerde is ook waar: zij typt erg langzaam. Dan staat er twee minuten: ‘aan het typen…’. Ik verwacht een lang verhaal, maar het resultaat is een zinnetje van slechts zeven woorden. Helaas staan er ook nog weleens typefoutjes in: mijn neefjes worden bijvoorbeeld in de familie ‘de boetjes’ genoemd, vraag me niet waarom. ‘Vandaag heb ik op de voetjes gepast.’, zie ik dan op mijn scherm. Categorie beginnersfouten. Hoewel ik bij deze even moest nadenken voor het kwartje viel.

Inmiddels draait ze haar hand nergens meer voor om. Respect voor mijn moeder! En daarvoor hoef je hélemaal geen ‘u’ te zeggen. Denk dat ik de stagiaire dat nog even uit moet leggen.

 

Het is nog steeds het gesprek van de dag

De laatste tijd word ik steeds geconfronteerd met mannen die het over swaffelen hebben. Gelukkig brengen ze het voor zover ik weet -nog- niet in de praktijk, maar ik vind het toch opvallend dat dit woord ineens weer zo vaak valt.

Het begon laatst bij een pubquiz. Ik deed met mijn collega’s mee. Onze teams hadden keurige namen: Oost West Noord Best en IJzersterk. Blijkbaar zijn dat geen namen waar je een pubquiz mee wint, want het winnende team was: De Swaffelmannen. Het team bleek overigens uit vijf uiterst keurige studentenjongens te bestaan.

Even later zat ik met een groepje sportgenoten wat te drinken. Vanuit het niets zegt een van de aanwezige expats met een grote glimlach: “Weten jullie wat ik nou het mooiste Nederlandse woord vind?!” Het viel stil, want niemand had natuurlijk een idee. Snel probeerde ik iets te verzinnen, maar waar moet je beginnen? “Swaffelen”, riep hij uit en begon vervolgens te bulderen. Toch erg dat de Nederlandse taal om dit soort woorden bekend staat.

De week er na had ik het op mijn werk met collega R. zijn vakantie. Hij was bij een groot meer in Duitsland geweest. Een uurtje later las ik een nieuwsbericht over een Duits meer waar alleen naturisten zonnebaden. Ik stuurde het naar R. onder het mom van ‘Hier zat jij zeker?’ Hij reageerde hardop met: “Ik swaffel ze hélemaal kapot daar!”. Nou ja zeg. Aparte collega.

blog swaf

Swaffelen was echt tha bomb een aantal jaren geleden. Het was swaffelen voor en swaffelen na. Er werd zelfs een dag voor georganiseerd door BNN: de Nationale Swaffeldag. Onder andere het Paleis op de Dam en de Sint Servaas Basiliek in Maastricht werden toen beswaffeld. Waar een klein land groot in kan zijn. Ook de kranten stonden er vol van: ‘Student van school wegens swaffelen.’ ‘Zaak swaffelaar erg opgeblazen.’

Maar het hoogtepunt (om in termen van swaffelen te blijven), was dat swaffelen Woord van het Jaar 2008 werd. Toch frappant dat dit woord zo lang blijft hangen; 2008 is alweer bijna tien jaar geleden. Want zoals het dit soort modegrillen vaak vergaat, die verdwijnen in het niets. Wie heeft het bijvoorbeeld nog over tentsletje (2010), stoeproken (2011), de frietchinees (2012), kraamkost (2015) of samsonseks (2016)? Zo niet swaffelen.

Wel opvallend dat het allemaal ranzige dingen zijn, onze Nationale Woorden van het Jaar. Smerig volkje zijn we. Maar dat zal die expat inmiddels ook wel weten. Ik hoop dat hij mijn collega nooit zal treffen, want die swaffelt hem dan misschien hélemaal kapot.

Eens kijken of hij het dan nog steeds zo’n mooi woord vindt. Of dat bijvoorbeeld frietchinees dan toch meer zijn voorkeur heeft. Misschien minder mooi, maar wel veiliger.

De mannen van de IT-afdeling

Een van mijn circa tien hobby’s is pubquizzen. Een gezellige avond in de kroeg en ondertussen de hersens laten kraken. Uitstekende combinatie. Soms doe ik het met vriendinnen, maar mijn collega’s zijn er ook geregeld voor te porren.

PubquizAfgelopen maandag gingen we weer; de collega’s en ondergetekende. Twee teams sterk. Team Oost West Noord Best en Team IJ-zersterk. Ons kantoor zit in Amsterdam-Noord, aan het IJ, dus hélemaal geen gekke namen.

Nadat we onszelf moed hadden ingedronken, begonnen we. Ik zat in team IJ-zersterk, met collega’s M., S. en J. Alledrie ‘techies’. En dat heb ik geweten. Wat voor type de bekendste robot uit Starwars is? Voordat de quizmaster uitgesproken was, waren de drie heren al druk aan het overleggen. R2-D2 was het eensluidende antwoord. Ik had er nóóit van gehoord. ‘Kijk je geen Star Wars?!’, vroegen ze ongelovig. Tsja. Is een wortel oranje?

Hier bleef het niet bij. Op elke technische of wiskundige of bizarre-weetjes-vraag hadden de mannen het antwoord klaar:

  • Welk getal hoort bij het logo van The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy? ’42!’
  • Wat staat er tussen de verticale streepjes in een wiskundige formule? ‘Absolute waarde!’
  • Wat is het nummerbord van Donald Duck’s auto? ‘313!’

Nerd Alert! riepen ze zelf, na een aantal van dit soort vragen. Gozers met zelfspot hoor. Ik stond er bij en keek er naar.

Lekker cliché, zou je denken. Niks daarvan. De heren beschikten ook over onvermoede kennis. S. bleek alle sportvragen te weten. ‘Waarover viel Falco Zandstra tijdens het WK Allround in 1995?’ ‘Zijn eigen wedstrijdbandje!’
M. wist elk nummer tijdens de muziekronde te herkennen. ‘Kate Bush met Wuthering heights!’ ‘LL COOl J met I need love!’
En J. zette binnen een oogwenk vier gebeurtenissen uit WO II in chronologische volgorde. Respect. En hij wist meteen hoeveel spenen een koe aan haar uier heeft. ‘Vier!’ ‘Niet zes?’, vroegen wij nog vertwijfeld. ‘Nee hoor, ik ben op een boerderij opgegroeid. Vier! Punt.’

Team IJ-zersterk

Ik wist zelf gelukkig ook genoeg. De nieuwe burgemeester van Arnhem (Ahmed Marcouch). Waar Geertruidenberg ligt (Noord-Brabant). Het merk van de Chocoprins- koeken (LU). En de vier cabaretiers van De Kwis (zoek maar op).

Helaas bleven we soms alle vier in gebreke:

  • Hoe vaak een man per maand moet klaarkomen om prostaatkanker te voorkomen? (21 keer)
  • Welk land recht onder de stad Minsk ligt? (Kirgizië was onze consensus, het bleek Oekraïne)
  • De namen van de Teletubbies inclusief hun accessoire? (antwoord volslagen
    oninteressant).

Of we gokten verkeerd: ‘Welke baan van de Franse vlag is breder dan de overige twee banen? Rood, wit, blauw, geen?’. We gokten ‘geen’, maar het bleek de witte baan te zijn.

Daarom zijn we als vierde geëindigd en helaas niet als eerste. Deze eer ging naar het mannenteam met de bedenkelijke naam De Swaffelmannen. Zij hadden die vraag over klaarkomen natuurlijk wel goed.

 

Ik mag niet klagen

Toeristen die de weg vragen. M’n gezellige buurman die de weersomstandigheden met me wil bespreken. Of zomaar vreemdelingen. Sinds ik in Amsterdam woon, wordt er veel tegen me gepraat op straat.

Laatst nog een vrolijke Surinaamse meid. Ik stapte tegelijk met haar uit de tram en we werden weggeblazen door een windvlaag. Ze zei dat ze veel te koud gekleed was en al keuvelend liepen we samen 200 meter op. ‘Fijne dag!’ riepen we naar elkaar toen onze wegen scheidden.

Dit soort spontane ontmoetingen kleuren je dag toch?

Ook onderweg naar mijn werk wordt er regelmatig tegen me gepraat. Ik moet een stukje met de pont over het IJ varen om kantoor te bereiken. Sinds kort heb ik een vriend op de pont. Hij begon eens tegen me te kletsen toen we zowel ’s ochtends als ’s middags op hetzelfde tijdstip bij de pont wachtten. ‘Goh, dezelfde werktijden blijkbaar?’ Vanaf dat moment spreek ik mijn pont-vriend regelmatig en dat is vaak gezellig.

Maar.

Er is een categorie kletsers waar ik minder blij van word. De klagers. En helaas, die zijn erKlagen in Mokum in groten getale. Bij iedere open brug, vertraagde trein of opengebroken straat zie ik mensen misprijsd hun gezicht naar me toe draaien en hun mond openen. Stoïcijns en acuut draai ik m’n hoofd in een andere richting, want ik heb écht geen zin in gemopper, gemekker, gezanik en gezeur. Blijmoedig onderga ik daarom maar elke vertraging en wegomleiding.

Dat komt denk ik door thuis. Door vroeger. Klagen mocht niet. ‘Hoort bij het leven, kind.’ ‘Het gaat met vallen en opstaan.’ ‘Vergeleken met andere mensen in de wereld heb jij het zo slecht nog niet.’ Ik heb alle varianten voorbij horen komen. Tsja, wat heb je daar nog tegen in te brengen? Dit maakt misschien dat ik op straat de klagende medemens mijd als de pest.

Toch klaag ik wel degelijk, eerlijk gezegd. Namelijk tegen bovenbuurvrouw N. We delen een trappenhuis en een dakterras, dus we komen elkaar geregeld tegen. Daarnaast appen we elke dag. Een heel leuk en gezellig contact, maar het viel me op dat we ook uitgebreid kunnen klagen allebei.

klagen2We klagen over de zoveelste verbouwing in de binnentuin; ‘weer van die yuppen die zo nodig een serre moeten. Waar doen ze het van?’ Over de studenten ‘op links’ die wakker worden wanneer normale mensen naar bed gaan, ‘die asociale dikke van de overkant’ die z’n muziek zo hard heeft staan. Over de parkieten in de grote boom die snerpende herrie maken, onze klusjesman die zich gedraagt als dramaqueen. Over de beheerder van de VVE die de taken niet naar behoren uitvoert, de grote hoeveelheid idioten op straat, het drukke verkeer op het Surinameplein, mannen die niet doen wat je wilt, mannen die doen wat je juist níet wilt. Kortom, alles en iedereen passeert de revue.
klagen

Voelt ook best lekker eigenlijk. De schade van vroeger haal ik ruimschoots in. Ik mag in ieder geval niet klagen met zo’n buurvrouw. Ik mag wel tégen haar klagen gelukkig. Geen klaagmuur, maar een klaagbuur. En die wens ik iedereen toe. Dan is het bij de openstaande brug ook weer wat gezelliger.

 

 

Ik weet er nu alles van

Laatst ging ik naar een borrel waar ik niemand kende. Dat is altijd even moeilijk.

De borrel was op het hoofdkantoor van mijn werk. De goden bleken mij echter gunstig gezind, want ik kwam twee gozers van mijn eigen vestiging tegen. Ik kende ze van gezicht. Even later kwam er nog een ex-collega van hen bij zitten. Ook al kenden we elkaar nauwelijks, we hadden het hartstikke gezellig; de drie mannen en ondergetekende.

Zo gezellig zelfs, dat ze me een week later uitnodigden op hun vrijdagmiddagborrel. Afgelopen vrijdag toog ik daarom naar de zevende etage, waar zij zitten. Ik was ietwat laat, er was een clubje van vier mannen over. Ze werken voor een technologiesite en testen en reviewen daarvoor allerlei producten. Dus hebben ze op hun afdeling een tv-kamer, 3d-printer, opnamestudio en game room. Ik keek mijn ogen uit, heel wat anders dan onze steriele kantoortuin met nepplanten. De mannen stónden er op mij alles te laten zien. Wat een aandacht. Verwennerij voor de diva in mij.

Computer

De rondleiding begon bij de 3d-printers. P. was een kwaliteitstest aan het doen met verschillende printers en er stond er net een te pruttelen. Een kogellager werd er geprint. Ik wist niet eens wat een kogellager was, laat staan dat je er een kon printen. P. liet me de draadjes plastic zien die als grondstof voor de printer dienen. Toen ik vroeg hoe ze aan de ontwerpen kwamen, liet hij me een site met standaard ontwerpen zien. Hij vroeg me welk product ik zou willen printen. “Eh, een sleutelhanger?”. Ik kon niks beters verzinnen. Hij barstte in lachen uit. Geen slim antwoord kennelijk. Een telefoonhoesje was een beter idee, zei hij. “Wat voor telefoon heb je?” “Samsung.” “Ja, welk type?!” “Eh, weet ik niet.”
P. gaf de moed op. Geen telefoonhoesje geprint dus.

tvDoor naar de tv-kamer dan maar, waar een mega-scherm stond. Tv-reviewer S. zette ‘em aan en begon een verhandeling over oled-tv’s, HDR, microsecondes vertraging en zwart dat geen zwart is. Ik begreep er niks van, had nog nooit van oled gehoord en zag het probleem van een microseconde vertraging niet in.

Heel wat wijzer kwam ik de tv-kamer uit; microsecondes kunnen van levensbelang zijn voor de geoefende tv-kijker. Via de opnamestudio (“Helemaal in stijl van Portal; ken je die game?!” “Eh, nee.”) naar de game room. “Heb je weleens een VR-game gespeeld?” Gelukkig wist ik dat VR virtual reality betekent, maar zo’n game ooit gespeeld? Nee, natuurlijk niet. Nou, daar moest kennelijk verandering in komen. Want voordat ik het goed en wel door had, plantte P. een grote VR-bril op mijn hoofd en liep ik volgens hem op de verst denkbare planeet in een oud fort. Ik vond het best eng in het begin, want het leek levensecht. Maar het wende en ik ging op in het schietspel. Helaas was het binnen een minuut game over.

Toen we uitgeprint, uitgekeken en uitgespeeld waren, zijn we naar de kroeg gegaan. Waar het gesprek niet meer over bits & bytes ging, maar over Chiptunes feestjes, erectiepillen en Chriet Titulaer in een regenton. Dingen waar ik óók al niet over mee kon praten. Maakt niet uit, het was allemaal wel heel gezellig .

En ik heb veel geleerd.

Dus, als je binnenkort een nieuwe tv wilt gaan kopen: kies voor oled. En let er op dat zwart ook écht zwart is. Sinds vrijdag weet ik er alles van. Proost.

 

Het kan nog erger

Tuinieren is nooit mijn hobby geweest. Dat gefröbel met plantjes en bloemen. Ingewikkeld en burgerlijk dacht ik. Zelfs een cactus liet ik in no time doodgaan. Maar inmiddels ben ik om. En misschien ook wel burgerlijk. Ik zeg nu namelijk als het regent: ‘Ha, goed voor de plantjes!’ In plaats van: ‘Wat een k-weer.’

Het begon met de ouwe plantaardige meuk die de vorige bewoner op het balkon had achter gelaten. Op een gegeven moment begon ik me daar toch aan te storen. Ik dacht dit kan beter en vooral netter. Dus sleepte ik mijn broer mee naar het tuincentrum. Niet vanwege zijn botanische kennis, maar omdat hij een auto heeft. Ik kocht er één (1) hortensia. Livin’ on the edge. Die hortensia stond al gauw te shinen als een malle. Dat smaakte naar meer.

Niet veel later stond mijn hele balkon vol. Dit was pas het begin voelde ik. Ook op het dakterras heb ik toen schoon schip gemaakt en de boel opgevrolijkt. Maar ik wilde meer. Groter. Kleurrijker. Dus ben ik op straat verder gegaan met een aantal potten naast de voordeur. Geraniumpje hier, petuniaatje daar. Tralalalalalaaa.

De volgende stap was een heus tuintje. Hier stopt het avontuur dacht ik, want een tuin heb je niet op driehoog achter. Mispoes. Er was wel degelijk een tuintje in mijn buurt. Weliswaar niet voor mijn huis, maar voor dat van buurman J. Er stond geen groen goud in, dus dat tuintje heb ik gekaapt. Guerilla gardening. Mooie trend.

Terwijl iedereen op Tweede Kerstdag aan het uitbuiken was van de kerstdis, stond ik te graven. Ik had namelijk een groots plan met dat geveltuintje. Tulpen, ik wilde tulpen. Meteen ook maar wat narcisbollen geplant, als ik toch bezig was.

En voilà! In maart staken de eerste steeltjes boven de grond. Euforie! Al snel bloeiden de
tulpen en narcissen weelderig en kreeg ik complimenten van mijn buren over het vrolijke tuintje.

geveltuin_kleinTotdat het noodlot toesloeg. Twee weken geleden zag ik ’s ochtends dat mijn halve tuintje verwoest was. Tulpen waren afgeknaagd en lagen verspreid over de stoep. Narcissen waren uit een pot gerukt en ook een geranium was gemolesteerd. Potverdorie! Mijn mooie tulpen, bruut weggerukt door een vogel, kat of rat. Ik besloot de troep maar op te ruimen en het tuintje een beetje te herstellen.

De overburen parkeerden op dat moment net hun auto bij mij voor de deur. Mario & Truus, Ras-Amsterdammers met een pitbull én een teckel. “Godverdórie, nu kennuh we alwéér niet voor de deur parkeeeruh”, schetterde Truus. Ze heeft een stem als een bootwerker en is even breed als lang. Ik lachte inwendig, de auto stond namelijk op 6 meter afstand van hun voordeur. Ik liet ze met een sip gezicht de gemolesteerde tulpen zien. Truus ontstak nu helemaal in een woedeaanval. “En ik vond je tuintje juist soooo maaauuuii!!” Hè fijn, even wat begrip.

Die avond vertelde ik mijn First World Problems aan vriendin M. Gedeelde smart is halve smart. Na een paar dagen was ik het hele voorval natuurlijk al weer helemaal vergeten. Totdat M. me met Pasen een appje stuurde. Een nieuwsbericht: “Meeuwen vernielen Nederlandse bloemen op het Sint Pietersplein”. Och… Ik weet precies hoe ze zich daar in Vaticaanstad voelden. Het kan dus altijd erger.

Misschien moeten we volgend jaar Pasen Truus met haar pitbull en teckel naar Vaticaanstad sturen als vogelverschrikker. Ze mogen proefdraaien bij mijn tuintje.

 

Ik ga naar Stefan toe

Laatst las ik een interview met een schrijfster uit New York. De journalist vroeg of vreemden een belangrijke rol in haar leven speelden. De schrijfster beaamde dat: ‘Ik woon alleen. Als je boos of verdrietig bent, bel je niet meteen iemand op. Dan neem je jezelf maar mee naar buiten, de straat op. Daar verdwijnen donkere gedachten en eenzaamheid. Het zien van vreemden is vaak héél helend.’

Ha!, dacht ik. Daar zit wat in! Ik wandel ook graag door de stad. Gedachten de vrije loop laten of gewoon wat om me heen koekeloeren. Soms ontmoet ik daarbij ook vreemden, zoals laatst een stelletje dat voor me liep. Ik liep een tijdje geruisloos achter ze, totdat zij haar voet op een bankje zette. Hij ging braaf haar veter strikken. Toen ik passeerde, keek hij beschaamd op. Ik moest lachen en vroeg: ‘Heb je misschien nog een broer?!’ Helaas. Had ‘ie niet.

Maar wat eigenlijk nog beter werkt dan deze vluchtige ontmoetingen, is boodschappen doen. Zoveel aardige kleine ondernemers bij mij in de buurt die ik inmiddels persoonlijk ken. Meestal gaat het om boter, kaas en eieren, maar laatst had ik een wat meer bijzondere boodschap te doen.

In het trappenhuis thuis was een stop doorgeslagen. Op naar de winkel. Naar de ijzerwaren-  annex doe-het-zelf-zaak aan de Overtoom. Achter de kassa stond een stevige vrouw, van het praktische soort. Oude spijkerbroek, vale trui, pittig kort kapsel. Grote handen met eelt. Ik liet haar de stop zien. Mezelf kennende zou ik anders toch geen details over soorten en maten kunnen noemen. ‘Wat?!’, riep ze uit, ‘2 ampère?!’ ‘Euh… tsja’ Meer kon ik er niet over zeggen helaas.

Ijzerwarenwinkel Overtoom

Intussen was ze op haar knieën voor het onderste laatje van een grote kast gaan zitten. ‘Nee, alleen 16 ampère.’ ‘Steeeeefffaaaáán!!’, gilde ze. Vanuit het niets kwam er een vrolijke jongeman met heldere blauwe kraaloogjes aan. Dit was kennelijk Stefan. Hij verwonderde zich ook over de 2 ampère. En begon me vervolgens met zwaar Zaans accent uit te leggen dat 2 ampère waarschijnlijk van een gezamenlijke stroomvoorziening in een trappenhuis was. Bewust zo laag zodat mensen geen stroom gingen aftappen. Leer Stefan de Amsterdammers kennen. Slot van het liedje was dat hij me doorverwees naar een nog specialere speciaalzaak.

Lang leve Stefan. Bij deze speciale speciaalzaak heb ik stoppen van 2 ampère gescoord. Het doosje moest weliswaar uit een stoffige kelder komen, maar toch, ik was er blij mee.
Op de terugweg passeerde ik de zaak aan de Overtoom weer. Ik dacht ‘weet je wat, ik ben in een goede bui, ik ga even melden dat het gelukt is’. Ik zwaaide de deur open. Stefan stond achter de kassa een klant te helpen. Ik stak mijn duim naar hem op. ’t Is gelukt!!’ Hij stak ook z’n duim op en riep: ‘Oké! Ik zal het tegen mijn moeder zeggen!’ Och, wat een schatten, deze mensen. Zo aandoenlijk.

Als de stoppen weer een keer doorslaan bij mij, letterlijk of figuurlijk, weet ik waar ik naar toe moet. De straat op, richting Overtoom. Zo snel mogelijk naar Stefan en z’n moeder. Werkt héél helend.

 

Ik wil je

Laatst had ik het met mijn moeder over relaties. Ik vroeg haar hoe je vroeger iemand ontmoette, toen er nog geen dating apps bestonden. ‘Ach kind, gewoon via de kerk of sjoelvereniging. Of je ouders kwamen met een geschikte kandidaat op de proppen’, zei moeders. ‘Daar werd toen niet zo moeilijk over gedaan.’

Dit klonk mij erg onromantisch en pragmatisch in de oren. Toch ben ik er inmiddels achter dat men vroeger vérre van nuchter of gevoelloos was. Ik las namelijk gister een artikel over contactadvertenties in de periode 1850 – 1900. De advertenties stonden aan de randen van krantenpagina’s en bevatten de meest interessante wanhoopskreten. Haat en liefde lagen toen ook al dicht bij elkaar.

Wat werd er dan zoal geschreven? Nou, advertenties van deze strekking:

Lieve H.
Laat mij U spoedig weer ontmoeten. Ik ben verlangend U weer te zien. Vergeet mij niet,
verwacht eenig Schrijven.

Uw LiefHebbende N. 

adv9

H.S.
Heb driemaal dank, het deed 
mij zoo wel.
Ik bemin U.
Ik vertrouw op U.
Ik wacht op U.

Maar het was niet alleen maar rozengeur en maneschijn:

Truus!
Vergeven doe ik ’t je, maar vergeten nimmer, want ge doet me erg lijden.
Vaarwel!!

Of:

Marie! Ik zie van je af!

adv 2

En vreemdgaan is kennelijk ook van alle tijden:

Maurice, Aldophe is weg. Verlang naar één uur met U.

Goh, ik smelt helemaal weg bij deze romantiek. En lach om de passie en wanhoop en stoute mensen. Mijn fantasie slaat op hol. Hoe leuk zou het zijn als ik zo’n soort bericht van een geïnteresseerde collega of buurman onverwacht in de krant zou lezen:


Lieve Betje,
Hoe is het?
Geheel de Uwe!
Jan

adv 8

Helaas, ik vrees het ergste. Maar er is hoop. Binnenkort doe ik mee aan Voor je ’t weet, heb je een date. In het kader van Valentijnsdag gaan jongeren een middag ‘daten’ met eenzame ouderen. Wie weet word ik aan een oudere heer gekoppeld. Uiteraard houd ik dan de week er na de krant in de gaten. Wellicht staat er dan bijvoorbeeld:

O vrouwe Marion,
Steeds blijf ik U beminnen, zoals jongstleden zaterdag. Keer terug tot de Uwe.
Klaas

Maar los van een eventuele Klaas op leeftijd, moet ik toch maar wat vaart maken met het vinden van een geschikte man bedenk ik me. Want ik ben bang dat mijn ouders anders misschien een dergelijke advertentie gaan plaatsen:

Huwelijk. 1 Meisje,
die lang genoeg bij moeders pappot gezeten heeft, zoekt kennismaking met advocaat, dokter of zakenman tusschen 30 en 40 jaar, van beslist zeer goeden huize. Als belooning brengt zij algemeene en huishoudelijke ontwikkeling (om van intelligentie en uiterlijk schoon niet eens te spreeken). Al wie den moed heeft, schrijve onder nummer T14153 Handelsblad.

Ik waardeer hun hulpvaardigheid, maar ik zoek liever toch zelf nog even verder.

Willen daarom alle advocaten, dokters en zakenmannen tusschen de 30 en 40 jaar zich melden? Echter alleen als zij beslist van zeer goeden huize komen. In dat geval zal ik diegene rijkelijk beloonen door het huishouden te doen en mijn uiterlijk schoon te toonen.

 

PS: De advertenties zijn verzameld door wetenschapsjournalist Mark Traa en
terug te vinden op Instagram: @liefdevantoen

 

Het komt door mijn buren

“In een overvolle tram stappen en dat je dan niemand in die tram kent. Dat vind ik het fijnste aan in een stad wonen. Helemaal niemand zit op oogcontact te wachten, niemand hunkert naar smalltalk. Nee, de stedeling zoekt naar privacy in de menigte. In een zwembad kun je synchroonzwemmen, maar in een stad doen ze aan synchroonafzonderen.”

Deze alinea las ik laatst in een column van James Worthy, een Amsterdamse columnist. Ik dacht: ja, daar heeft James een punt.

Amsterdam

Ik hou ook erg van de anonimiteit van de grote stad. Niemand die op je let. Opgaan in de massa. Heerlijk.

Maar toch. Ik woon nu 3,5 jaar in ‘de grote stad’ en het gaat niet goed met mijn anonimiteit…

Dat komt door mijn buren. Ik woon namelijk in een straat waar veel sociale betrokkenheidBuren  heerst. We zijn allemaal nogal bedrijvige mensen, die de hele dag weggaan en thuiskomen. En elkaar dan tegenkomen. We maken een praatje over het weer, het lawaai van de studenten drie huizen verderop, de vermiste poes van buurman V. (“Hij is er hélemaal kapot van!”). En ga zo maar door.

Die betrokkenheid bleek afgelopen weekend ook weer. Tegenover mij woont een zeer oude dame die volledig afhankelijk is van thuiszorg en mantelzorg.
Gelukkig woont haar zoon met zijn gezin boven haar. Het dorp Amsterdam. Mijn bovenbuurvrouw had me al laten weten dat er vorige week een ambulance bij de oude dame voor de deur stond. Dus toen ik zondag thuiskwam en De Zoon haar huis zag uitruimen, schrok ik. Ik dacht, ze zal toch niet…? Ik stapte op De Zoon af. Verzorgingshuis. Het ging niet meer, meldde hij me. Na een praatje en een sterktewens ging ik mijn eigen huis in.

Even later keek ik door het raam naar de groeiende berg grof vuil op de stoep. Wat ook groeide, was de groep buren die om De Zoon heen stond. Zes buren telde ik maar liefst. Ik kon niet horen wat er precies besproken werd, maar het zag er uit als een gezellig tafereel. Het dochtertje van een van de buren speelde met een pan, haar vader rookte een sigaretje, zijn vriendin tilde twee stoelen uit de vuilstapel terwijl er in allerijl een overgebleven blik verf voor de stoelen werd aangereikt. Een andere buurman prutste wat aan zijn elektrische fiets en de vrouw van De Zoon voegde zich ook bij het gezelschap om mee te keuvelen.

Nee, synchroonafzonderen is er in mijn straat niet bij, zeker afgelopen weekend niet. De verdienste van een oude dame. Maar gelukkig is de stad iets groter dan alleen mijn straat. Genoeg ruimte om in de anonimiteit te verdwijnen. En misschien kom ik James daar dan wel tegen. Maar die zit niet op een praatje te wachten, dus ik zal niks tegen hem zeggen.

 

Doe maar gewoon

Ik kijk vaak bij mijn overburen naar binnen. Daar woont een jong stel en ik vind het leuk om te zien wat ze doen. Verder ben ik best normaal hoor. Ik heb alleen last van gezonde nieuwsgierigheid. Of beter: ik houd een oogje in het zeil. Participatiesamenleving avant la lettre.

Ze koken, zitten op de bank voor de tv, aan tafel achter hun laptop. Soms hebben ze vrienden op bezoek. Maken ze ruzie. Gaan de gordijnen ineens midden op de dag dicht. Niks bijzonders dus eigenlijk. Gewoon lekker gewoon. Soms ben ik jaloers op die alledaagse gewoonheid recht tegenover mij.

Gewoon doen. Dat wordt over het algemeen niet erg gewaardeerd heb ik het idee. In interviews met ongewone mensen lees je vaak dat ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ het meest vreselijke aspect van de Nederlandse mentaliteit is. Hup, kop boven het maaiveld en weg met de benepen spruitjeslucht.

Amsterdam als stad heeft meestal niet zoveel last van alledaagse gewoonheid en
dertien in dozijn. De nuchtere noorderling in mij verbaast zich nog vaak genoeg. Zo kun je naar een wenkbrauwbar om je wenkbrauwen te laten stylen. Eten in een hijskraan,
schommelen boven op een toren van ruim 100 meter hoog en een snack halen in een
groentensnackbar.

Schommelen op de A'dam Tower

Maar wat alles slaat, zijn de koffiebarretjes. Ze ploppen als paddestoelen uit de grond tijdens een natte herfst. Met namen als: Coffee Bru, White Label, Koffiesalon, Caffènation, Sixs and Sons en Roasters. En je haalt het niet in je hoofd er een ordinaire Koffie Verkeerd te bestellen hoor. Nee, kéuzes dienen er gemaakt te worden. Bonen uit Ecuador of Ethiopië, groot, middel of klein qua formaat, filter of apparaat, kop of kartonnen beker? Temperatuur, branding, maling. En sojamelk of amandelmelk? De keuzes zijn oneindig. Alleen gewone koffie ontbreekt dus op het menu.

Twee heren die goed op deze rage ingespeeld hebben, zijn Ronald en Arnoud van Vintage
Espresso Machines. Zij tikken oude Italiaanse espressomachines op de kop en knappen ze op. Want waarom alleen koffie drinken bij Coffee Bru, White Label, Koffiesalon,
Caffènation, Sixs and Sons en Roasters? Je wilt ook zo’n tongstrelend bakkie in je eigen casa.

Vintage Espresso MachinesJe kunt de vintage machines vanaf 3500 euro kopen. Dure pleur. Volgens de heren is het
echter een goede investering, want de machines worden alleen maar meer waard. Dat hier vraag naar is, blijkt wel. Kopers staan in de rij en de mannen hanteren een wachtlijst van een half jaar. “Ik ben al drie jaar niet op vakantie geweest. Het is werken, werken, werken”, lees ik.

Sjonge, dat is nog eens goed zaken doen. Wie nu denkt dat het succes Ronald en Arnoud
naar het hoofd gestegen is, heeft het mis. Want er wordt gewoon geluncht met bruine bammetjes met kaas uit de Tupperware-bak en een kop koffie. Of appelsap. Maar op vrijdag hebben ze hun uitje: “Dan gaan we een loempia eten.”

Blijkbaar kun je met de doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg-mentaliteit toch heel
ver komen. En die loempia, die past helemaal in dat plaatje. Doe maar gewoon, dat is al lekker genoeg.

Ik wil verhuizen

Laatst had ik een feestje. In Houwerzijl. Ja, dat is een eind verwijderd van de bewoonde wereld. Het ligt in Noord-Groningen, vlakbij de welbekende plaatsen Doodstil, Moddergat en Zuurdijk. Dat verduidelijkt het misschien.

Na een paar lekkere drankjes piepte ik er even tussenuit. Want ik wilde wel iets meer van Houwerzijl-city zien. Een puik idee, want het bleek een heel schattig dorpje te zijn. De tijd had er stilgestaan.

Al wandelend genoot ik van de pittoreske omgeving, de kleine straatjes, de huisjes met rode daken, de grote buitenplaatsen en de ruime tuinen met veel groen. Ik nam een flinke teug frisse lucht.

Koeien

En toen ging het mis.

Ik dacht plotseling: “Ik wil hier ook wonen!” Weg met die vieze vuige stad waar het vaak net een open inrichting is.
Mijn fantasie sloeg vollédig op hol. Ik zag mezelf al wonen in zo’n schattig klein huisje. Een Huisjerood-wit geblokt tafelkleedje op tafel en kanten gordijntjes voor de ramen. Een soort Hans- en-Grietje setting. Met natuurlijk een grote tuin met weelderige bloemen en mijn zelfgekweekte groente en fruit. Hartstikke mindful, lekker wroeten in de aarde. Weg met yoga-klasjes en dubbele latte macchiato’s. Nee, Houwerzijl was beslist geen gek idee besloot ik.

Terug in de trein naar Amsterdam was ik helemaal vol van dit plan. Het leek me goed om eens op Funda te bekijken, want een huis zou de hoogste prioriteit hebben. De huizenmarkt in Houwerzijl echter, bleek nog oververhitter te zijn dan in Amsterdam. Er stond namelijk niet één huis te koop. Niet 1, uno, iets. Niets. Zelfs geen schuur, garage of kelder.

Dat bracht het eerste scheurtje in mijn fantasie. En wat me vervolgens ook niet zo lekker zat, waren mijn aardige buren in Amsterdam. Die zou ik dan ook definitief gedag moeten zeggen. Met mijn bovenbuurvrouw deel ik lief en leed en vooral de laatste buurtroddels. Met een andere buurvrouw ga ik geregeld wandelen en pizza eten. Mijn buurman naast me heeft me laatst geholpen bij een gaslek en de onderbuurman roept dagelijks naar me: “Lekker weer hè buuf??!” Weer of geen weer. Wilde ik dit dorpse stukje stad wel achter me laten?

Net als mijn vaste koffiebar waar de taartjes zo lekker zijn, de vele culturele
uitgaansmogelijkheden, de grachten en parken, de Marqt, de knappe mannen op straat, Taartm’n bij tijd en wijle hilarische collega’s. En de Amsterdamse ‘humor’. Zeg je “goeienavond” tegen iemand, zegt die terug: “Nou, dat mag ik wel hopen ja!”

De trein had mij inmiddels uitgespuugd in die vieze vuige stad. Al fietsend passeerde ik de bloemenstal vlakbij m’n huis. “Haaai schètt, ’t leven is maaauujer met jauww”, riep de bloemenman terwijl hij een rode roos ferm de lucht in stak mijn kant op.
Houwerzijl. Leuk, maar nu nog niet. Het leven in een open inrichting is toch net even wat spannender dan in de besloten omgeving van Doodstil.

Hobby

Ik hou van hobby’s. Daarom heb ik er ook best veel: fietsen, spinning, door de stad lopen, fotograferen, koffie drinken, uitgaan, lezen, pubquizzen, schrijven, boodschappen in de buurt doen, concerten, musea, kletsen met vriendinnen. Ga zo maar door. En luieren. Maar of dat een hobby is? Het is meer iets waar ik goed in ben.

Allemaal leuk en aardig, maar echt opvallend zijn deze bezigheden niet. Jammer, want iets bijzonders doen in je vrije tijd is best leuk. Zo heb ik in het datingcircuit al een aantal mannen ontmoet die een spraakmakende hobby hadden waar ze smakelijk over konden vertellen. Zo was er een die z’n racefiets meenam op vakantie naar verre oorden zoals Kenia en de Filipijnen en daar vervolgens wekenlange trektochten maakte. Stoer, ik hing aan zijn lippen. Figuurlijk. Letterlijk leek me nog wat vroeg halverwege een eerste date.

Anderen waren erg gepassioneerd over koken/muziek/gamen/geneeskunde/theater/

yoga/televisiekijken/voetbal/werk/drugs/

katten/fotografie/festivals. En nieuwsgierig als ik ben, wilde ik altijd het naadje van de kous weten. Menig man heeft met mij daarom de date van z’n leven gehad vermoed ik, zoveel interesse.

Maar het kan gekker, lees ik in het Parool.

Elke zondagochtend komt in Spaarnwoude een groepje mannen samen. Ze rijden daar op treintjes. Grote mannen op kleine zelfgebouwde treintjes. De benen wijd en knieën en voeten buitenboord.

Treintje

Dertig jaar geleden begon de club mannen in hartje Amsterdam een modelbouwvereniging. Toen het parkeergeld werd ingevoerd, zijn ze verkast naar Spaarnwoude. Want het mocht niet teveel kosten. In Spaarnwoude ligt inmiddels een parcours met drie spoorbanen. Maar dat is niet alles; een station met houten banken, een kassahokje en seinpalen maken het compleet. Allemaal door de heren zelf gebouwd.

De treinfanaten nemen hun hobby erg serieus. Dat is te zien aan bijvoorbeeld Kees. Hij draagt een bordeauxrode stationschefpet. ‘Mijn locomotief is helemaal van hout. Ja, dat is wat hoor. Ik heb hem zo gemaakt dat hij acht kinderen of vier volwassenen kan hebben.’ Met een kniptang knipt Kees de kaartjes van de passagiers. Het lijkt wel echt. ‘Op zondagen zit mijn trein vaak stampvol. Die blije smoeltjes, daar doe je het voor.’
Wat een fascinerende toestand. Wie verzint nou zo’n hobby? Het ziet er in ieder geval
hilarisch uit op de foto’s, die grote mannen op kleine treintjes. Ik zie het helemaal voor me.

Treintje

Misschien moet ik komend weekend eens gaan kijken in Spaarnwoude en meteen een ritje maken. Niet om het een of ander natuurlijk, gewoon uit nieuwsgierigheid. Een date zal er niet van komen, maar een onverwachte nieuwe hobby wellicht wel. Of anders op z’n minst een blij smoeltje.

Vieze Oude Man

Het kantoor waar ik werk staat op een scheepswerf. Daar worden soms evenementen georganiseerd, zoals deze week de botenbeurs Hiswa. Collega R. zei vorige week dat hij blij was dat hij dan net een paar dagen vakantie had, want dan kon hij mooi de drukte ontwijken. ‘En de ouwe mannen met rooie broeken en bootschoenen’, vulde ik enthousiast aan. R. keek me niet-begrijpend aan en ik omschreef zo gedetailleerd mogelijk de doelgroep van de Hiswa.

Oudere mannen. Ik vind ze een klasse apart. Zo verwonder ik me over hun eenduidige tenue. Ze bevolken straten, terrassen, treinen en natuurgebieden in ruitjesblouse met korte mouw en een kakikleurig sportief gilet met grote zakken er over heen. Zoiets wat je boven een afritsbroek zou dragen. Denk aan Midas Dekkers. De klassieke outfit van de gepensioneerde, maar kwieke oudere man. De non-pensionado’s zie je in kantooromgevingen zonder gilet, maar met ruitjesblouse met korte mouwen én toegangspasje van het kantoor met een clip aan de broekrand bevestigd. Met trekkoordje.

Maar, nergens verwonder ik me méér over dan over oude mannetjes die zich bij bouwputten ophouden. De bouwputstaarders. Elke bouwplaats kent ze en elk hedendaags kantoorgebouw heeft haar groupie gekend.
Hoe, in hemelsnaam, kun je hele dagen met een groepje soortgenoten in de herrie staren naar bouwwerkzaamheden? Vinden ze het echt zo interessant, of worden ze weggestuurd door Moeder de Vrouw die niet de hele dag opgescheept wil zitten met haar ega? Als ik inderdaad denk aan zo’n potige huisvrouw, kan ik me toch eigenlijk ook wel voorstellen dat de heren liever de hele dag in de bouwherrie zitten, dan thuis op de bank. Maar een wonderlijk fenomeen blijft het, de bouwputstaardert.

Oude mannen op een bouwplaats

Er is echter een baas boven baas, die de kwieke gepensioneerde en de bouwputstaarder overtreft qua opvallend gedrag. De Vieze Oude Man.

Die term is gemunt door cabaretier Janneke Jager. Laatst was ik bij een voorstelling van haar, waar ze een nummer zong over de oudere man. De Vieze Oude Man welteverstaan. Dames vanaf mid-dertig moeten volgens Janneke oppassen voor deze meneer. Gelukkig, ik heb nog een jaar om me voor te bereiden op dit Grote Gevaar. Al snap ik al wel wat ze bedoelt. Om de sfeer te omschrijven hier een fragment uit Het Vieze Oude Mannen Lied:

“Met je afritsbroek aan, wat denk je nou zelf
En haren uit je oren, wat denk je nou zélf

Met je klikkende kunstgebit
En fiets met aandrijfmotor

Je 65-plus-pas
En stijve kromme ….(pauze) rrrrrrrrruuuuuggg

Wat denk je nou zelf, wat denk je nou zelf
Wát denk je nou zélf

Ik ben pas half zo oud als jij en zie er lekker uit
Dus je geilt op mij met je ouwe fluit

Je tijd is voorbij
Je bent weer terug bij af
Praktisch sta je al met een been in het graf

Wat denk je nou zelf, wat denk je nou zelf
Wát denk je nou zélf???”

Clou is dat de Vieze Oude Man weinig kans maakt bij een jongedame van mid-dertig. Maar dat zijn erfenis toch wel erg interessant is.

Meestal negeer ik alle drie bovenstaande categorieën. Want zoals Janneke Jager zingt, ‘ik ben pas half zo oud en zie er lekker uit’. Maar ja, misschien niet verstandig. Want misschien moet ik ook aan een eventuele erfenis gaan denken.

 

Ik heb een klacht

Ik heb een klacht. Overal waar ik kom in Amsterdam, gaat de brug open. Onzin zou je denken; je overdrijft, maar nee. Er zijn namelijk 1539 bruggen in Amsterdam. Waarvan 252 in het centrum. En ze gaan echt vaak open! Kortom, een gegronde klacht, al zeg ik het zelf. En ik heb nog eens extra pech.

Tussen mijn huis en de stad ligt namelijk de Kostverlorenvaart. Ga ik vanuit huis linksaf
richting stad, dan sta ik onherroepelijk stil bij de brug bij de Kinkerstraat. Ga ik rechtsaf,
dan moet ik steevast wachten bij de Overtoom. Menig appje heb ik al verstuurd vanaf deze locaties: “Grrrr, brug open, ben 5 min later.” De Rijn is qua scheepvaartdrukte niets
vergeleken bij de Kostverlorenvaart. Vrachtschip na vrachtschip komt voorbij, volgeladen met zand of auto’s. Geen idee wat we midden in de stad met zoveel zand en auto’s moeten, maar er zal vast een hoger doel achter zitten.

Het tafereel gaat vaak zo: ik kom aanfietsen en de alarmbellen beginnen te rinkelen. De
slagbomen blijven echter gewoon open. Provinciaal als ik ben, durf ik toch niet meer door te rijden. Hordes mensen hebben wél lef en lopen of fietsen stoïcijns door. Inmiddels dalen de slagbomen. Nóg steken mensen de brug over. Aan de overkant een gillend groepje pubermeisjes en aan mijn kant kruipt een junk onder de slagboom door en lacht me tandeloos toe: “Ken prima, schèt.”
Brug in Amsterdam
Ik posteer mezelf zo ongeveer met mijn neus tegen de slagboom. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt. En nóg presteert een kerel het om zich even later met fiets en al tussen mij en de slagboom in te wurmen. Dames gaan in Amsterdam kennelijk niet meer voor. Intussen passeert het vrachtschip. Ludovica heet ze. Toeristen nemen foto’s van het schip; selfies met zichzelf vol in beeld. Zodra Ludovica voorbij is en de brug weer geopend, stuift de massa weg. Tringelende trams, fietsers, voetgangers, auto’s; alles kriskras door elkaar: de chaos is compleet. Survival of the fittest.

Laatst dacht ik slim te zijn toen ik zag dat de brug weer eens open ging. Ik had geen zin om lang stil te moeten staan. Nee, ik zou een lekker visje gaan halen bij de visboer naast de brug. Ik werd geholpen door de vrouw van de visboer, die me in elke zin aansprak met ‘dame’. Meneer de visboer besloot zelf ook klanten te gaan helpen en zei tegen de man achter me: “Jongeman, zeg het maar!”. De man keek rond en zei grappend: “U zult mij wel bedoelen?!”. Ik moest toch op de brug wachten dus ik mengde me ook maar in het gesprek: “Tsja, ík voel me niet aangesproken.”. We lachten allevier en grapten nog wat door. Al knipogend naar mij liep de jongeman na z’n aankoop weg, de lange wachtrij voor de open brug in.

Bij nader inzien hoeft wachten bij een brug niet per definitie vervelend te zijn. Je ziet nog
eens wat, dus eigenlijk mag ik blij zijn met die 1539 Amsterdamse bruggen. Ik trek mijn klacht maar weer in.

Bij de politie


Sinds kort zit ik bij de politie. Nou ja, niet echt natuurlijk. Nee. Ik zit bij de Facebookgroep Politie Amsterdam Overtoomsesluis. Vraag me niet hoe ik lid van deze groep ben geworden, ineens was ik het. En wat blijkt, het is een interessante groep.

Onder het kopje Informatie lees ik bijvoorbeeld letterlijk:

“Anno 2015 kunnen wij politie PolitieagentOvertoomse Sluis ons niet meer verschuilen voor de digitale platformen. Onze visie om ‘ online ‘ te zijn is, u snel en vaak met beelden / foto’s te informeren over wat wij allemaal doen in jouw buurt. Ons redactieteam, zijn gewoon collega’s die dag en nacht werken, gewoon, op straat in uw wijk. En soms ook, gewoon, vrij zijn! Immers zijn wij niks voor niks #ASD247. Met u mening en ons soms inventieve wijze zoeken wij samen naar de verbinding. Want samen zijn wij sterk. #OvertoomseSluisZoektVerbinding”

Potverdorie, per zin stijgt toch je sympathie voor de politie? Ik zie al voor me hoe een agent heeft zitten zwoegen op zo’n tekst. Omdat zijn/haar leidinggevende vond dat ‘we ons niet meer kunnen verschuilen voor digitale platformen.’ Tijdens het tekstueel ploeteren vergetend dat drie keer het woord ‘gewoon’ in een zin niet zo fraai is. Heel andere koek dan boeven vangen, maar de schrijvende agenten doen het met verve vind ik. Samen zijn zij sterk. Niet altijd even helder geschreven, maar met de beste wil van de wereld. Én met veel hashtags.

Ik lees vervolgens een bericht over een ongeluk in de Kinkerstraat:

“Een groep Franse mannen (toeristen), had hier in het mooie Amsterdam fietsen gehuurd. De Fransen waren fietsend een vrijgezellen feest aan het vieren.” Een van de feestvierders had volgens de politie de gladheid van de trambaan onderschat en was onderuit gegaan. “De Franse mannen alsmede de aanstaande bruidegom waren erg behulpzaam. Ook bekommerden zij zich over hun vriend door bij hem te blijven terwijl Ambulancedienst van Amsterdam eo met hun vriend bezig was.”

Wat een heerlijke, droge beschouwing. Het lijkt me niet meer dan logisch dat je je om je vriend bekommert en bij hem blijft als die gewond geraakt is. Zélfs de aanstaande bruidegom heeft volgens de politie geholpen! Nou, het moet niet gekker worden.

Maar dan komt het.

“Terwijl we druk bezig waren met de hulpverlening aan het ongelukkige slachtoffer, heeft een of andere onverlaat de fiets van het slachtoffer gestolen. De Franse toeristen baalden enorm en hebben helaas geen mooie ervaring nu aan Amsterdam. Namens ons dank hiervoor! ‪#‎waargaathetheen‬.”

Ik schiet in de lach vanwege de woordkeuze: ‘een of andere onverlaat’. Pietje Bell verschijnt op mijn netvlies. En vooral ‘namens ons dank hiervoor!’. Tussen de regels door lees je de irritatie. Het zit de schrijvende agent echt dwars. Wel weer een mooie #hashtag overigens.

Ongeluk

Maar gelukkig zijn er ook zaken die vrolijker eindigen. Onlangs zagen twee dienders op het Mercatorplein een puppy uit de tram stappen. Ze hebben hem gevangen en meegenomen naar het bureau. “Al snel meldde zijn baasje zich. De pup, Kees genaamd, was alleen op avontuur gegaan. De pup en zijn baasje zijn weer herenigd! Kees heeft natuurlijk een “112 Ik speur mee” halsband gekregen! Kees closed!”

Kees closed. Dan ben je een agent met humor hoor. Een baas.

Ik speur nog wat verder en kom een bericht tegen over het verwijderen van fietswrakken:

“Heeft u een fiets die u nooit meer gebruikt? Bedenk dan wat u er mee wil. Misschien is het tijd dat u afscheid van hem neemt? #opgeruimdstaatnetjes.” Benieuwd hoeveel mensen deze raad ter harte nemen, maar een sympathiek advies is het wel, afscheid nemen van je fiets.

Vaak klinkt de roep om meer blauw op straat. Ik roep in ieder geval om meer blauw op Facebook. Ik weet niet of de wereld er echt veiliger van wordt, maar in ieder geval wél grappiger. #ikbenfan

NB: Ja, er staan wat taalfouten in deze column. Ik heb bepaalde stukken tekst letterlijk van de Facebookpagina van de politie geciteerd. Inclusief taalfouten 😉