Ik laat me niet kisten

Ik denk geregeld na over de dood. Dat komt omdat ik elke dag de rouwadvertenties in de krant uitgebreid doorneem. Raar maar waar. Namen, leeftijden, tekstjes, familiesamenstellingen en -drama’s, allemaal even interessant. “Na een leven vol passie voor zijn gezin, zijn werk, treinen en mooie vakanties, is Henk aan zijn laatste reis begonnen”. Prachtig toch? Hoe zielig ook voor de betrokkenen, ik smul er van. Vooral dat stukje over treinen vind ik mooi. Ik zie deze Henk al voor me.

Toch zet deze interesse me ook aan het denken: wat moet er gebeuren als ik plotseling overlijd? Want ik zie ze voorbijkomen hoor in de advertenties; mensen die zonder aanzien des persoons zó weg waren. Plotseling verdwenen naar de eeuwige jachtvelden. Ik heb niks vastgelegd, dus het wordt maar wat gokken voor mijn naasten. Ik vind dat eerlijk gezegd wel sneu voor ze. Maar ik durf nog geen woord over mijn laatste wensen op te schrijven, dat voelt toch alsof ik het universum indirect verzoek. Ik ben als de dood voor de dood eigenlijk.

Er zijn echter mensen die dapperder in het leven staan, zich minder afhankelijk van het universum opstellen. Tijdens een lange treinreis lees ik een artikel in het Trouw zaterdagmagazine: “Geen angst voor de dood; deze mensen halen hun kist alvast in huis.”

Nou ja zeg, da’s toch ook gek?! Je kist alvast in huis hebben! In Nieuw-Zeeland bestaat er zelfs een vereniging waar je je eigen kist kunt bouwen en versieren. Over rare hobby’s gesproken. In Nederland bestaat zo’n vereniging niet, zegt het artikel. Maar dat weerhoudt de fanatiekelingen er niet van toch alvast voorbereidende werkzaamheden te doen.

Theo (80) heeft bijvoorbeeld zijn kist beschilderd met een Toscaans landschap. Hoe mooi ook, Theo wil de kist het liefst verkopen: “In mijn atelier is maar ruimte voor één kist, en ik zou graag aan de slag gaan met iets nieuws. Als deze weg is, maak ik eerst een zonsondergang, en daarna iets met vlinders.” Theo is klaar voor de dood, maar is er nog lang niet aan toe, concludeer ik. Nog teveel creatieve inspiratie.

Van alle geïnterviewden is Puck (82) het best voorbereid op haar dood. Ze maakt graag
funeraire reizen naar begraafplaatsen overal in Europa, weet al welke tekst er in haar overlijdensadvertentie moet komen te staan en ook de plek van het graf is al bepaald. Maar het bewijs van een piekfijne voorbereiding is dat ze haar kist al in huis heeft, in de vorm van een boekenkast. Een boekenkast ja. Puck staat trots op de foto voor haar boekenkast annex doodskist.

puckPoeh, da’s toch wel wat hoor. Waar nu de boeken staan, lig je dan vroeg of laat zelf. Met je hoofd op de plek van Harry Potter en je voeten ter hoogte van Bridget Jones. Of andersom. Is het dan zo dat elke keer als je een boek uit de boekenkast pakt, je de dood in de ogen kijkt? Vreemde gedachte.

Te vreemd voor mij. Bij deze heb ik besloten dat ik me voorlopig nog niet laat kisten door de dood. Letterlijk en figuurlijk niet. Harry en Bridget blijven rustig op hun plek in de boekenkast. Die gewóón bestemd is voor boeken.

Hoe zeg je zoiets

Een aantal maanden geleden overleed mijn lieve tante Maartje plotseling. Sinds een aantal jaar had ik een hele goede band met haar. Logisch, het was een leuk en inspirerend mens dat altijd wel wat bijzonders beleefde.

Toen mijn moeder belde dat Maartje was overleden, was mijn eerste gedachte: ‘Ik heb haar nooit verteld hoeveel ze voor mij betekende en hoe bijzonder ik haar vond!’. Een verdrietige gedachte. Ik hoop maar dat ze het wel aangevoeld heeft.

Laatst overleed de burgemeester van Amsterdam. Er kwam zoals verwacht een heel circus van lofuitingen op gang. Ik dacht weer over dit thema na. Waarom zeggen of bedenken we pas wat iemand voor ons betekent als het te laat is. Al die mooie woorden in een rouwadvertentie, daar heeft de dode maar weinig aan. Net zomin als aan een prachtige toespraak op een uitvaart.

Terwijl het een mens misschien zo goed kan doen om te weten dat hij/zij eigenlijk best geliefd is. Ik vraag het mezelf in ieder geval weleens af; wat zouden mensen over me zeggen als ik er niet meer ben? Maar ik ga het niet weten, want als ik er niet meer ben, lees ik ook geen rouwadvertenties meer. Denk ik.

De enige optie is, concludeerde ik, mensen bij leven vertellen wat ze voor mij betekenen. Voor het te laat is.

Maar poeh he, hoe zeg je zoiets? Misschien maar even oefenen.

Ik begin natuurlijk bij mijn ouders. Want die staan al 35 jaar voor me klaar. En nóg zijn ze niet moe. Ze steunen me bij alles wat ik doe. Mama vraagt altijd meteen hoe het met me gaat, hoe ik me voel en waar ik mee bezig ben. Papa is meer van het praktische: ‘Doet de verwarming het nog, meid?’ ‘Geeft je fietslamp wel goed licht?’ ‘Rijd je niet in de tramrails?’ Of hij gaat spontaan het trappenhuis stofzuigen. Ja, de taakverdeling bij pa en ma is helder. Ik kan in ieder geval altijd op ze rekenen en daar ben ik ze dankbaar voor.

Mijn twee broers van hetzelfde laken en pak: Aardige gozers, nooit te beroerd om te helpen. Fijn dat ze vanzelfsprekende stabiele factoren in mijn leven zijn.

De categorie vriendinnen is uitgebreid en zeer divers. Poeh, ik mag wel eens een dag gaan zitten om te bedenken wat ieder van hen voor mij betekent en waarom ik zo blij met ze ben. Omdat ik met ze kan kletsen, lachen, huilen, sporten, uitgaan, roddelen, klagen, zwijmelen, fietsen, niks doen, pubquizen en op vakantie gaan in ieder geval. Een onmisbare club meiden, samengevat.

Vriendinnen

En hoe dan verder? Nu wordt het een bij elkaar geraapt zootje: mijn aardige buren, grappige collega’s, de gezellige mensen met wie ik sinds kort padel tennis speel, de klusjesman die me met raad en daad bijstaat, de bijzondere man die er deze zomer plotseling was en korte tijd veel voor me betekende. Nooit tegen hem gezegd. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Ook voor al deze mensen zal ik iets moeten bedenken.

Dat “waardering uitspreken en bedanken” gaat toch echt niet zo’n makkelijke klus worden vrees ik. Het is ook gewoon moeilijk en eng om persoonlijk aan iemand te vertellen wat hij/zij voor je betekent. In die zin vind ik mijn vaders manier van doen helemaal niet zo gek. Verpakt in een praktisch advies je zorgzaamheid en liefde uiten.

Dus, als mijn vriendinnen, collega’s, sportmaatjes, ouders, broers en enkele anderen binnenkort opmerkingen van mij krijgen in de trant van:

* Rijd niet te hard…
* Kleed je lekker warm aan…
* Pas op voor de gracht als je dronken bent…

Dan mogen ze concluderen dat ik om ze geef. En als ik spontaan iemands huis ga schoonmaken, ben ik helemaal dol op de persoon in kwestie.

Praktisch advies aan mezelf: Niet mee wachten tot het te laat is.

Is dat nou wel handig?

Ik hou eigenlijk niet van dieren. Zo, dan heb ik het maar gezegd. Het zat er van jongs af aan al niet in; ik herinner me een foto van toen ik een jaar of 3 was en in de vogelkennel van de kinderboerderij stond. Mijn broers hadden dikke lol en ik stond hard te huilen. Met een groep grote fazanten om me heen. Horror. Op een andere foto sta ik ook al huilend, omdat mijn broer zich in het kippenhok heeft verstopt. Hup, daar ging ik weer. Probleempje uit een vorig leven denk ik.

Bang voor mijn broer als kip

Het beperkt zich helaas niet alleen tot kinderboerderijvogels of broers die kippen nadoen. Dat zou niet zo erg zijn wanneer je reeds 35 bent. Honden: bang voor. Katten: te eigenwijs. Muizen: schichtig, smerig en vooral doodeng. Ratten: overtreffende trap van muizen. Ganzen: meteen agressief als je op je dooie gemakkie langs wandelt. Duiven: onnozele beesten die altijd voor je fietswiel rondstappen en vervolgens in je gezicht fladderen met hun gore vleugels.

Laat staan wat er zou gebeuren als ik een olifant of giraf tegenkom. Niet te doen. Hoewel me dat ook wel weer indrukwekkende dieren lijken. Maar dan zou ik bang zijn dat ze me vermorzelen. Zo is er altijd wat, met elk dier.

Om me heen zie ik veel mensen die wél van dieren houden: Een ex-vriendje dat meteen de engste pitbulls ging aaien, m’n bovenbuurvrouw met haar zwarte katje Beppie, een echtpaar verderop in de straat met 16 teckels. Nee, ik overdrijf niet, het zijn er echt 16 en ze worden vaak tegelijkertijd uitgelaten. Als ik deze mensen zo zie, kan ik me best voorstellen dat je een bijzondere band met je huisdier opbouwt en dat je er iets aan hebt. Steun of plezier. Of een maatje om tegenaan te praten.

Zo passeerde ik deze week op straat een vrouw die tegen haar hond zei: “Is dat nou Weimarse staandehandig, Silver?” Gezien het uiterlijk van de hond, een statige Weimarse staande (ja, dat heb ik ook maar van Google hoor) denk ik dat het Silver op z’n Engels is, en niet ordinair Zilver. Het was mij niet duidelijk wat Silver dan voor onhandigs aan het doen was, maar goed. Silver wordt door deze vrouw als volwaardig beschouwd. De moeite waard om te waarschuwen voor onhandige zaken. Het heeft wel iets.

Na mijn wandeling kwam ik in het kader van dierendag een verzameling van de meest grappige Nederlandse dieren Instagram-accounts. Het gekke is dat sommige van deze dieren bijna honderdduizend volgers hebben. 100.000! Ik heb er 107. Nee, geen 107 duizend, nee.

Een poes of een hond?Ik word toch nieuwsgierig, dus ik ga even op Instagram kijken. Op ‘Insta’ zoals mijn jeugdige collega’s zeggen. Ik zie een rare poes met heel lang haar die op een hond lijkt, een konijn dat verdwijnt tussen het wasgoed in de wasmand en een eigenwijs Frans bulldogje. Aandoenlijk. Maar de meest opvallende is toch wel LouLou, een mopshond uit Dronten. LouLou staat werkelijk op elke foto raar aangekleed, alsof het een klein kind loulou3is dat in de verkleedkist gedoken is. Met brillen en knuffels. Als stoere vent achter het autostuur en als lief meisje in een bloemetjesveld. Bizar. Wie verzint nou zoiets.

Hé! Er komt een Facebook privébericht van een goede vriendin binnen.

Ik citeer: “Superleuke functie Marion, zou er zelf wel op willen solliciteren als ik niet te ver weg woonde. Kijk maar even. Goed doel in elk geval.”

Om welke organisatie het gaat? Stichting Dier&Recht. Oeps. Ai. Een greep uit de functieomschrijving: je zet je met hart en ziel in voor dieren. Je vertaalt interessant diergedrag in teksten. Je werkt samen met dierenartsen.

Het is inderdaad een goed doel, maar níet goed voor mij denk ik. Om met het baasje van Silver te spreken: “Is dat nou wel handig?” Het antwoord moge duidelijk zijn. Anders heb ik straks nog meer foto’s waar ik huilend op sta. En die tijd zijn we nu wel voorbij.

 

Ik wil verhuizen

Laatst had ik een feestje. In Houwerzijl. Ja, dat is een eind verwijderd van de bewoonde wereld. Het ligt in Noord-Groningen, vlakbij de welbekende plaatsen Doodstil, Moddergat en Zuurdijk. Dat verduidelijkt het misschien.

Na een paar lekkere drankjes piepte ik er even tussenuit. Want ik wilde wel iets meer van Houwerzijl-city zien. Een puik idee, want het bleek een heel schattig dorpje te zijn. De tijd had er stilgestaan.

Al wandelend genoot ik van de pittoreske omgeving, de kleine straatjes, de huisjes met rode daken, de grote buitenplaatsen en de ruime tuinen met veel groen. Ik nam een flinke teug frisse lucht.

Koeien

En toen ging het mis.

Ik dacht plotseling: “Ik wil hier ook wonen!” Weg met die vieze vuige stad waar het vaak net een open inrichting is.
Mijn fantasie sloeg vollédig op hol. Ik zag mezelf al wonen in zo’n schattig klein huisje. Een Huisjerood-wit geblokt tafelkleedje op tafel en kanten gordijntjes voor de ramen. Een soort Hans- en-Grietje setting. Met natuurlijk een grote tuin met weelderige bloemen en mijn zelfgekweekte groente en fruit. Hartstikke mindful, lekker wroeten in de aarde. Weg met yoga-klasjes en dubbele latte macchiato’s. Nee, Houwerzijl was beslist geen gek idee besloot ik.

Terug in de trein naar Amsterdam was ik helemaal vol van dit plan. Het leek me goed om eens op Funda te bekijken, want een huis zou de hoogste prioriteit hebben. De huizenmarkt in Houwerzijl echter, bleek nog oververhitter te zijn dan in Amsterdam. Er stond namelijk niet één huis te koop. Niet 1, uno, iets. Niets. Zelfs geen schuur, garage of kelder.

Dat bracht het eerste scheurtje in mijn fantasie. En wat me vervolgens ook niet zo lekker zat, waren mijn aardige buren in Amsterdam. Die zou ik dan ook definitief gedag moeten zeggen. Met mijn bovenbuurvrouw deel ik lief en leed en vooral de laatste buurtroddels. Met een andere buurvrouw ga ik geregeld wandelen en pizza eten. Mijn buurman naast me heeft me laatst geholpen bij een gaslek en de onderbuurman roept dagelijks naar me: “Lekker weer hè buuf??!” Weer of geen weer. Wilde ik dit dorpse stukje stad wel achter me laten?

Net als mijn vaste koffiebar waar de taartjes zo lekker zijn, de vele culturele
uitgaansmogelijkheden, de grachten en parken, de Marqt, de knappe mannen op straat, Taartm’n bij tijd en wijle hilarische collega’s. En de Amsterdamse ‘humor’. Zeg je “goeienavond” tegen iemand, zegt die terug: “Nou, dat mag ik wel hopen ja!”

De trein had mij inmiddels uitgespuugd in die vieze vuige stad. Al fietsend passeerde ik de bloemenstal vlakbij m’n huis. “Haaai schètt, ’t leven is maaauujer met jauww”, riep de bloemenman terwijl hij een rode roos ferm de lucht in stak mijn kant op.
Houwerzijl. Leuk, maar nu nog niet. Het leven in een open inrichting is toch net even wat spannender dan in de besloten omgeving van Doodstil.

Mijn vakantieliefde

Vorige week was ik op vakantie in Andalusië, met vriendin S. In het kleine appartementencomplex waar we zaten hadden we, op z’n zachtst gezegd, fascinerende buren.

Zoals twee pensionado-stellen, die hele dagen met elkaar communiceerden via het balkon. Met drie huisjes er tussen. “Truuuhhuuussss, wij zijn zo vehèèèrrrr!” “Okééeeeee! We komen er aaaaahaaan, als Henk ook klaar is!” “Okeee, daaaahhaagg!”
“Daaahhaaag!!” Van dit soort conversaties waren wij dus de hele week getuige. Echt waar.

Iets minder makkelijk te duiden waren de mensen tegenover ons. Een trio; twee dames en een heer. S en ik hebben twee dagen lang gefilosofeerd over hun achtergrond. Het ging om een grote dikke man van middelbare leeftijd met een roze korte broek en een roze poloshirt. Een van de vrouwen was eveneens groot, dik en van middelbare leeftijd, met wit hemd en wit kort broekje en kort pittig kapsel. De andere vrouw daarentegen was kleiner, jong, blond, slank en modern gekleed. Onze slotconclusie was dat het een huisvriendin moest zijn, iets anders konden we er niet van maken.

Maar er was iemand die veel meer indruk maakte dan alle pensionado’s en trio’s bij elkaar. Mijn vakantieliefde: Greg. We ontmoetten elkaar bij het zwembad. Het contact begon voorzichtig met wat steelse blikken over-en-weer en een kort praatje.

Vakantieliefde
De dagen er na werd het contact wat intensiever en ook persoonlijker. Je kletst wat over waar je vandaan komt, met wie je op vakantie bent en wat je die vakantie al ondernomen hebt. Geheel onschuldig nog allemaal.

Op een gegeven moment zocht Greg steeds meer toenadering. Het begon ons op te vallen dat telkens als wij bij het zwembad lagen, hij vroeg of laat ook kwam.
De gesprekken verdiepten zich. Hij had het over zijn ouders en broer en later zelfs over evolutie en voortplanting. Wat mij betreft hoefden we het daar niet over te hebben, maar Greg stond er op zijn kennis over dit onderwerp te delen. Ik vond zijn kijk op de evolutietheorie echter wel interessant hoor, dat wel. Het maakte hem eigenlijk nog leuker, niets aantrekkelijker dan een slimme kerel. En toegegeven; zijn mooie grote bruine ogen lieten me ook niet koud.

Uiteindelijk is het bij een platonische liefde gebleven. Ook wel logisch; de vakantie was maar kort en ik was in gezelschap van vriendin S en hij van zijn broer en ouders. Misschien ook maar beter, want zoals dat gaat met vakantieliefdes; uit het oog uit het hart. We hebben ook geen contactgegevens uitgewisseld.
Op de luchthaven zagen Greg en ik elkaar nog in een flits en wisselden we een laatste blik. Maar ik weet eigenlijk niet zeker of hij mij nog wel herkende. Ach, ik neem het hem ook niet kwalijk; Gregje was immers pas vier.

3 tips voor single mannen

Laatst was ik met een paar vriendinnen aan het kletsen. We hadden het over mannen. Uiteraard. Daar kun je als vrouw uren over praten. Hoewel, praten? Het was meer klagen. Over dates. Rare, contactgestoorde en tegenvallende dates. Zelf kon ik ook lekker mee klagen.

Zo kwam ik op het idee om de mannen een paar tips te geven. Wat moeten ze niet doen, en wat juist wel? Want een geslaagde date; welke vrouw wordt daar nou niet gelukkig van? En als de vrouw gelukkig is, afijn, je snapt ‘em wel.
Dus hierbij drie dingen die mannen niet moeten doen bij het daten, met daarbij een tip over hoe het wel moet:

1. Je wilt een hoogopgeleide pittige dame natuurlijk wel een beetje intelligent aanspreken. De digitale openingszin “Hoi, hoe is het daar?” gooit geen hoge ogen bleek uit gedegen onderzoek (n=4). Hoe is het daar? Waar?! Zo’n man weet toch niet waar ik ben? Ik denk dan bij mezelf na zo’n vraag: bij mij in Amsterdam-West gaat het op dit moment goed, maar voor hetzelfde geld wordt er om Datende hoek weer iemand geliquideerd. Dus wat zeg je dan voor zinnigs, in zo’n geval?
Op mijn antwoord “Waar?” kreeg ik vervolgens de letterlijke reactie: “Whoehahaha, gewoon bij jouw! Ik zit heerlijk voor de buis hahahaha!!”
Zo’n reactie slaat toch elk zinnig gesprek dood, om bij het thema liquidaties te blijven?
Tip: Gebruik je intellect. Als je dat niet hebt, doe dan in ieder geval alsof.

2. Nadat je je best hebt gedaan op een openingszin en intelligente dingen hebt gevraagd, volgt er vast en zeker een date. Oké, maar ga dan vervolgens niet uren zitten zwetsen over je werk bij de gemeente Beverwijk. Hártstikke leuk dat je zo enthousiast bent over je baan daar als assistent infrastructureel projectmanager, maar details over de aanleg van een nieuwe afrit in Beverwijk Zuid-West mag je je date besparen. Inclusief de gehele tijdsplanning en het gedetailleerde kostenplaatje.
Tip: De dame tegenover je heeft hoogstwaarschijnlijk óók een baan. Misschien wil je daar ook wat over weten? “En wat doe jij voor werk?” zou al een uitstekende vraag zijn, om te beginnen.

3. Stel nou dat het allemaal van een leien dakje gaat, dan nodig je op een gegeven moment je aanstaande meisje thuis uit voor bijvoorbeeld een etentje. Zij tut zich op en doet net even een extra laagje mascara op. Ook wordt het leukste setje kleding uit de kast getrokken. Zo zijn vrouwen. Maar beste mannen, doe dan vervolgens niet de deur open met je Spaanse sloffen aan. Met blote voeten er in. Als vrouw wil je dan rechtsomkeert maken.
Spaanse sloffenTip: Als je je date thuis ontvangt, verstop je Spaanse sloffen. Trek gewoon een paar leuke schoenen aan. Met sokken alsjeblieft.

Zo kunnen wij vrouwen nog wel even doorgaan. Maar ach, het hoeft ook allemaal niet heel erg opgeprikt te zijn. Als mannen zich aan bovenstaande adviezen houden, zijn de dames al een stuk tevredener. Nu ben ik eigenlijk wel benieuwd of de heren ook zulke probleemgevallen tegenkomen. Ik kan het me niet voorstellen. Maar helemaal zeker ben ik er toch ook weer niet van. Uit voorzorg zal ik in ieder geval mijn Spaanse sloffen achter in de kast leggen. Dan kan ik op dat punt tenminste niet de fout in gaan.

Wat een verhaal

Af en toe lees ik woontijdschriften. Sterker nog, sinds kort heb ik zelfs een half-jaar-abonnement op VT Wonen. Je moet een beetje bijblijven op interieurgebied tenslotte. Zo weet ik nu dat vetplantjes en cactussen in de mode zijn, het liefst onder een stolp. Eigenlijk is alles wat onder een stolp zit, goed. Koper is dé kleur van dit moment en stoelen van Eames zijn nog steeds erg gewild. Steigerhout is op z’n retour en boeddha’s en houten plankjes met suffe teksten zoals ‘HOME’ er op, zijn hopeloos 2013. En dat is maar goed ook, lijkt me.

Het leukste vind ik de interviews met mensen die hun huis showen. In de VT Wonen die ik gister las bijvoorbeeld, stonden Sjaak en Barbara uit Nieuwegein. Twee kinderen en een hond. Tot zover niks aan de hand, op Nieuwegein na misschien, maar dat is weer een ander verhaal.

Wat een verhaal!Net als vele anderen in een woontijdschrift, wilden Sjaak en Barbara alleen spullen met een verháál in huis. “Bohemién en eclectisch, alles kan!” Aldus Barbara. Zo waren de twee ronde gevallen op de boekenkast hoedendozen, gescoord op de rommelmarkt in Beijing. In de boekenkast stond nog een hele reeks Aziatische snuisterijen. Verderop een tafeltje dat Sjaak zelf gemaakt had tijdens zijn sabbatical, uiteraard met vetplantjes en cactussen er op. Aan de muur hing een reproductie van een Rembrandt, gekocht tijdens het jaarlijkse dagje Amsterdam vorig jaar. Die dag hebben ze trouwens ook de vliegenmepper gekocht. Bij de Hay Design Store. Inderdaad, allemaal spullen met een bijzonder verhaal en mooie herinneringen er om heen. Ik kan het niet ontkennen.

Maar ik heb toch een beetje moeite met dat “verhaal”. Sowieso is iedereen tegenwoordig een verhalenverteller. Elke fotograaf, filmmaker of acteur heeft ‘een verhaal te vertellen’. Daar kan ik nog best in komen, maar je hele huis inrichten met spullen met een verhaal? Dat gaat mij in ieder geval niet lukken, denk ik terwijl ik ondertussen vertwijfeld en onzeker om me heen kijk.

Ik zie een paar planten die ik bij de bloemist op de hoek heb gekocht. Ik ben er vaste klant, want elke paar weken gaat er wel weer een plantje dood. Kansloos, met het oog op een goed interieurverhaal. Wel een aantal reisgidsen van verschillende reizen en zelfs welgeteld één souvenir, van acht jaar oud. Een minuscuul woordenboekje met ‘Australian slang’. Ja, toch handig als je dat spreekt. Barbie betekent bijvoorbeeld barbecue. Onmisbare kennis in Australië. Verder nog een rode lampjesslinger uit België, gekregen van vriendin M. Omdat ze vond dat rode lampjes zo bij mij passen. Dat geeft te denken, eerlijk gezegd. Op tafel een kandelaar die ik kocht toen ik boos was op een ex. Een veelkleurig schilderij van een Groningse schilderes. Het stoffer en blik dat het eerste item van mijn uitzet vormde, 15 jaar geleden.

Zo bekeken heb ik in ieder geval wel een inrichting met herinneringen, in verschillende mate van belangrijkheid. Alleen een goedlopend en doordacht verháál zoals van Sjaak en Barbara uit Nieuwegein is het al met al niet echt. Ik zie mijn interieur meer als een bundel met losse verhalen, nog in ruwe conceptvorm. Maar zijn de mooiste literaire pareltjes niet ook ooit zo begonnen? Ik zal VT Wonen alvast bellen.

Een burgerlijke kerst

Vorige week maakte ik een pauzewandeling tijdens mijn werkdag. Zitten is het nieuwe roken tenslotte. Ik wandelde op mijn gemak door de Amsterdamse wijk Tuindorp Oostzaan, vlakbij mijn werk gelegen. “Rondje Tuindorp” noemen mijn wandelcollega’s en ik deze route.

Tuindorp is een voormalige arbeiderswijk. Je ziet er kleine lage huisjes van rode baksteen, met een puntdak en kitscherige vitrage. Veel prullaria in en om het huis, zoals porseleinen poesjes en tuinkabouters. Kleine hondjes. Grote auto’s. En wat doen de Tuindorpers in de periode voor Kerst? Het huis versieren. En de tuin.
Geloof me, daar wordt niet op bezuinigd. Ik telde heel veel kerstmannen, -kransen en -slingers, hysterisch knipperende lichtjes in de meest exotische kleuren en grote, volgehangen kerstbomen. Veel bling bling en kitsch, dat vat de situatie goed samen denk ik.
Ik stel me voor dat in die periode de belangrijkste vraag is welke kleur kerstballen in de mode is. En of de kerstversiering van de buren niet mooier en grootser is dan die van jou.

Ik versier mijn huis nooit met Kerst. De tuin ook niet, want die heb ik niet. Het voelt voor mij toch wat burgerlijk als ik dat zou gaan doen. Ik ben jong, dynamisch, het Nederlandse equivalent van Bridget Jones en woon in de grote stad. Dan doe je zoiets niet, is mijn overtuiging. Het lijkt me meer iets voor gezinnen in Almere of in een Tokkies-wijk.
Of wil ik stiekem eigenlijk niet geassocieerd worden met mensen die volledig los gaan met zoiets simpels en kitscherigs als kerstversiering? En als extra hindernis lig ik dan ook nog liever lui op de bank dan met een kerstboom door de straat te moeten slepen. Kortom, ook dit jaar weer niks bijzonders te zien in mijn huis.

Kerst

Maar afgelopen weekend was ik bij een paar verschillende vriendinnen op bezoek. Zij hadden allemaal hun huis aangekleed met een kerstboom en wat kerstversiering. En dat vond ik eigenlijk toch wel gezellig en sfeervol.
Toen ik er nog iets langer over nadacht; vond ik vorige week al die lichtjes in de Amsterdamse binnenstad en horeca niet heel erg leuk? Ik zei nog enthousiast tegen een vriendin hoe mooi de stad wel niet was op dit moment. Wat ben ik hypocriet zeg, bah.

Misschien moet ik me dan er ook gewoon maar aan overgeven.
Het stukje burgerlijkheid in mij bevrijden en zorgen voor wat licht en bling bling in huis. Er is ellende genoeg in de wereld, dus waarom niet even de boze buitenwereld buitensluiten en je bezig houden met iets simpels en vrolijks? Ik moet niet zo streng zijn door dit voor mezelf af te keuren, en het voor anderen goed te keuren. Of stiekem zelfs toe te juichen.

Die Tuindorpers hebben dit allang door. Die schamen zich nergens voor en genieten gewoon van hun uitbundige versieruitspattingen. Ja, ik ga een voorbeeld aan hen nemen, het kan nog nét. Zometeen sjees ik naar de stad en koop ik een rendier met lichtjes in zijn gewei en een setje kerstballen. Maar eerst even uitzoeken welke kleur kerstballen dan precies in de mode is. Misschien moet ik een omweg via Tuindorp maken.

Troost is een keuze

site“Zo! Hier zul je van opknappen, jongedame!”, zei de barman toen hij met een zwierig gebaar de bestelde cappuccino voor m’n neus zette. Pardon?, dacht ik. Kennelijk zie ik er uit alsof ik die cappuccino hard nodig heb? Hmmm, tsja… misschien ziet zo’n man meer aan mij dan ik denk.

Bootvluchtelingen, een lekkage in huis, regen op je vrije dag en een date die je na de eerste date je twee kopjes thee zelf laat betalen en na de derde date alvast pro-actief meldt dat hij geen behoefte heeft aan intimiteit. Er zijn mensen die om minder van slag raken.
Terwijl het mantra tegenwoordig is: Je moet genieten! / Je moet alles uit het leven halen! / Je moet in je kracht staan! / Geluk is een keuze! Ja ja, het zal allemaal wel. Soms zit het mee, soms zit het tegen.

Maar wacht even, best mooi dat een wildvreemde, de barman in dit geval, ziet wat je nodig hebt. Een heerlijke cappuccino. Nu snap ik de term Bakkie Troost. En lukt het even niet om alles uit het leven te halen, dan troost ik me met een warme romige cappuccino, die ik tot de laatste druppel leegdrink. Heb ik toch nog érgens alles uit gehaald.

Een nieuwe liefde

Sinds kort date ik met een vrouw. De afgelopen jaren sprak ik zo nu en dan met mannen af, maar geen van deze dates is uitgegroeid tot een echte relatie. Dat lag soms aan de man in kwestie, maar vaker nog aan mij. Langzaam maar zeker werd me duidelijk dat ik een andere koers moest gaan varen.

Er waren zeker leuke mannelijke exemplaren bij hoor. Zo heb ik bijvoorbeeld goede herinneringen aan T., die ik –vers in Amsterdam– ontmoette op een bootje en die me in de weken daarna onbewust wegwijs heeft gemaakt in de stad. Of aan C., met wie ik ging frisbeeën en wijn drinken in het Vondelpark. En natuurlijk aan H., mijn laatste echte crush, die veel voor me betekende. Hij leerde me brood met pindakaas en banaan te eten. hart-2

Aan sommige anderen wil ik liever niet herinnerd worden, zoals aan diegene die mijn twee kopjes thee na afloop van de date wilde verrekenen. Niet in natura gelukkig. Of aan de enthousiasteling die me elke avond dit soort berichten stuurde: “Ey, hoe was je dag?” “Ey, hoe gaat het met je?” Heren. Je spreekt een dame niet aan met “Ey”. Verzin alsjeblieft iets charmanters. En nu niet gaan zeggen dat ik geen dame ben.

Maar goed, been there, done that. Tijd voor iets nieuws. En ik moet zeggen, het bevalt me. We hebben al veel leuke dingen gedaan samen. Gewandeld in het Amsterdamse Bos, langs de grachten geslenterd en naar een museum geweest. Samen geluierd op de bank met thee en chocola. Ja, ze is erg veelzijdig en dat maakt haar aantrekkelijk. Ik neem haar zelfs al mee naar afspraken met vriendinnen. Langzaam maar zeker wen ik aan het idee. Daten met mannen, het hoeft voor mij niet meer. Ik ga me nu focussen op mijn vriendin. We zitten nog in de fase van elkaar leren kennen en aan de situatie wennen, maar toch ook weer niet. Ik ken haar tenslotte al ruim dertig jaar. Ik ben het namelijk zelf. Want volgensmij kun je pas van een ander houden, als je het goed hebt met jezelf en van jezelf houdt. Daarom ga ik de komende tijd veel met mezelf daten. Succes gegarandeerd. Wie weet komt ‘die ander’ dan zomaar voorbij. En zo niet, dan heb ik in ieder geval mezelf om van te houden.

Loslaten

Afgelopen week heb ik elke nacht even gepiekerd. Over bijvoorbeeld de liefde, de zoveelste lekkage in mijn badkamer en de toestand in de wereld.

Een-voor-een ga ik mijn favoriete piekeronderwerpen bij langs. Met als gevolg dat ik de volgende dag moe ben. Mijn collega’s vermoeden misschien leuke nachtelijke uitstapjes als ze me ’s ochtends met kleine oogjes op kantoor zien verschijnen. Maar niks daarvan.

Ik zou dus beter overdag kunnen piekeren. Op dat bewuste kantoor bijvoorbeeld. Als je 8 uur lang aanwezig bent, kun je best wat tijd vrijmaken om te piekeren toch? Al is het maar een kwartiertje. Piekeren in een mooie lichte ruimte lijkt me ook gezonder dan in een donkere slaapkamer driehoog achter.
Of piekeren in een koffietentje met een flink stuk chocoladetaart erbij. Dan ben je letterlijk ‘lekker’ aan het piekeren. Wie weet zit de liefde van mijn leven toevallig net naast me aan de koffie, dan is dat piekeronderwerp ook meteen de wereld uit. Zo’n gekke gedachte is dat trouwens niet, dat van die liefde. Want het wemelt van de prachtige, goedgetrimde, welriekende heren in de hoofdstedelijke koffiebarretjes. Alleen jammer dat de meesten niet op mij vallen. En dat slechts omdat ik vrouw ben. Discriminatie. Slapen

Maar er is nog iets beters dan overdag piekeren met koffie, taart en gays. Loslaten. Althans dat lees ik in de Libelle van mijn moeder. En Libelle kan het weten. Loslaten is in. Wie ben ik om de tips van zo’n vooraanstaand instituut in twijfel te trekken.
Alleen, wat moet ik dan precies loslaten? Houd ik dan nu iets vast? En hóe laat ik dan los? En wanneer? Doe je zoiets in één keer, of laat je in stapjes los? Elk onderwerp apart? En als je iets hebt losgelaten, komt er dan iets anders voor in de plaats? Of blijft er een holle ruimte over? Ik wil ook weer geen leeghoofd worden. Want om nou nooit meer over de toestand in de wereld na te denken, lijkt me ook niet zaligmakend. Theoretisch snap ik dat hele concept “loslaten” best wel, maar zoiets abstracts in de praktijk brengen, dat is een tweede.

Vriendin X. zou dit weekend naar een workshop “Loslaten” gaan. Zo makkelijk is het kennelijk niet, als je er speciale workshops voor hebt.
Zij versliep zich echter rijkelijk, waardoor ze de workshop miste. Als dat geen loslaten is. Geen workshop meer nodig, deze vriendin. Ik zou een voorbeeld aan haar kunnen nemen.

Ik denk dat ik dus ook maar ga proberen los te laten. Wat en hoe precies, dát weet ik nog niet. Denk dat ik daar vannacht even over ga piekeren.

De schaamte voorbij

Vorige week fietste ik achter een man. Dat kan je zomaar gebeuren in de stad. Net op het moment dat ik hem wilde passeren, liet hij een scheet. Hij tilde er speciaal zijn linkerbil voor van het zadel. Toen ik hem voorbij fietste, keek hij nogal beschaamd opzij naar mij. Winden laten, het blijft toch wat gênant inderdaad. Je kent dat moment wel; een eerste scheetje bij een nieuwe liefde, ai…

Wind

Een dag na het scheet-incident zag ik een oude liefde lopen. Hij liep in de supermarkt, op weg naar de uitgang, ik liep op straat langs diezelfde uitgang. “Pats, boem!”, ging het in mijn hoofd en in mijn hart. Een fractie van een seconde later en het was letterlijk “pats, boem!” geweest. Gelukkig zag hij mij niet, zodat ik snel naar huis kon rennen, met bonkend hart en rood hoofd. Net als in het Koningslied, is dit ‘de dag die je wist zou komen’ (wie die zin toch heeft bedacht???). Als het dan zover is, schrik je je een ongeluk.

Alle herinneringen komen weer tevoorschijn. Een cocktail van liefde, met een wrange nasmaak. Met je verstand weet je dat het zo beter is. “Ach, we pasten toch niet echt bij elkaar”, houd je jezelf voor. Maar au, je hart roept iets heel anders. De romance is echter al even geleden en ik moet het nu toch maar eens afsluiten.
Net als die man op fiets, is het tijd om een wind te laten. Een frisse welteverstaan. Een frisse wind door mijn hoofd en door mijn hart. En het mooie is, voor deze wind hoef ik me níet te schamen.