Einde kwartaal, einde verhaal

Hij komt al dansend in een gouden glitterpak op vanuit de mensenmassa. Er wordt luid gejuicht en geklapt. “Dat was leuk”, was zijn nuchtere commentaar. Quizmaster Wouter; in het dagelijks leven accountmanager, maar voor deze gelegenheid eindbaas van de eerste enige echte Persgroep Employment Solutions Pubquiz. Geen PUBquiz, maar een PESquiz. Minstens zo leuk. Het quizmasterschap was overigens geen vrije keuze; Wouter was één keer niet aanwezig bij een pubquizvergadering en meteen werd hij door de dames gebombardeerd tot quizmaster. Ja, zo doen wij vrouwen dat, mannen. Wees gewaarschuwd.

De teams zijn geformeerd en de spekjes en M&M’s staan klaar. De quiz gaat van start; we zien video’s met willekeurige collega’s die iets vertellen over werk waar ze op dat moment mee bezig zijn. Zo leren we over Elastic Fantastic (het actieve job seeker team), TTD (Tech Tooling Data) en de nieuwe contentstrategie van Intermediair (gebaseerd op AHA- momenten). Ook maakt een zekere Groningse salesmanager ons per abuis duidelijk dat hij een team vol gemiddelde accountmanagers leidt (of lijdt misschien wel). Bedankt baas, zou ik denken als ik accountmanager in dat team was. En natuurlijk zijn er van die vreselijke vragen waarbij je het antwoord eigenlijk wel weet, maar nu nét éven níet. Wanneer het Beste Werkgevers Event is? Tsja, de chef Beste Werkgevers Event zei het een paar dagen geleden nog tegen me. Zucht, exacte datum vergeten, zul je net zien. Gelukkig komt op zo’n moment onze antwoordstrategie van pas (ja, we hadden een heuse strategie): bij twijfel kiezen we antwoord C. Dat bleek verrassend vaak het juiste antwoord te zijn. We staan gedeelde tweede, met nog 6 andere teams.
Team 5 wint uiteindelijk de prijzen, die volgens de quizmaster van de vrachtwagen waren gevallen. Ondergetekende is dus niet per definitie jaloers. Maar had toch stiekem best met de eer willen strijken. Want dat is het natuurlijk; een eer.

pubquiz

Sander komt rechstreeks vanaf Schiphol binnensprinten en kan nog net de afsluiting doen. Bijna had hij het eind van de quiz gemist, want ‘er stond een klein karretje voor het vliegtuig, waardoor we geen kant op konden.’ Zul je net zien op zo’n belangrijk moment. Een klein karretje met grote gevolgen.

Maar goed, het feest kan beginnen want Sander is binnen. We gaan door met de dPOS-presentaties. Eerst moeten de nieuwe medewerkers op het podium komen voor een kort voorstelrondje. Leuk idee, maar wat gebeurt er? Een horde mensen stormt op het podium af! Met andere woorden, de helft van het bedrijf is nieuw. Iedereen noemt naam, functie en afdeling, de een op wat frivolere wijze dan de ander. Ik kom er achter dat collega’s die dagelijks mijn bureau passeren, uit alle windstreken komen: Zweden, Brazilië, Oekraïne, Nieuw-Zeeland en Groot-Brittanië. Maar ook gewoon Grietje uit Groningen, om het geheel een beetje nuchter en in evenwicht te houden.

Bart presenteert vervolgens deel 2 van de resultaten van het medewerkerstevredenheidonderzoek. Hij stipt het punt Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen aan. “Daar scoren we nog onvoldoende op.” Hij toont een foto van drie jaar geleden, waarop enkele jongens van Tweakers aan een computer sleutelen voor een goed doel. “Zie je wel, we kunnen het wel”, zegt Bart hoopvol op basis van de drie jaar oude foto.

Na Bart’s onderzoek komt Mike de IT-directeur op het podium. Fijntjes merkt hij op dat hij als native English speaker een presentatie gaat geven in het Nederlands, die vervolgens realtime vertaald wordt naar Engels door de aanwezige tolk. Ja, dat is de wereld op z’n kop inderdaad. Maar soit. Niet omdat het moet, maar gewoon omdat het kan.
Mike geeft ons inzicht in de organisatiearchitectuur. Na dit formele gedeelte presenteert hij Mike’s Wijsheden, zoals ‘Iets dat af is, is beter dan iets dat perfect maar niet af is.’ Kijk, dat vind ik nou een goeie, die ga ik onthouden. En: ‘Laat je ego thuis.’ In een specifieke hoek van de zaal klinkt rumoer, kennelijk is er daar iemand die zich erg aangesproken voelt.

De presentaties vorderen en na de laatste van Jitske in haar mooie nieuwe blouse, wordt het tijd voor ‘een stukje entertainment’, zoals dat tegenwoordig heet. Onze Groningse huisrapper Muzza komt in actie. En hoe! Na een opstarthobbeltje schudt hij met het grootste gemak een toffe rap uit z’n mouw, ondersteund met prachtige beelden van mooie mensen. Hé, dat zijn wij zelf toevallig! Kippenvel. Schitterend.

rap

Na dit hoogtepunt sluit Sander af. Hij vertelt over de vermeende grap van zonnekoning
Christian van Thillo; dPOS kon wel groeien van 40 miljoen naar 150 miljoen. Nadat Sander
smakelijk had gelachen om dit sterke staaltje Vlaamse humor, bleek het bittere ernst te zijn: het stond de volgende dag zwart op wit in een e-mail bevestigd. Allez, geen probleem, kunnen wij binnenkort mooi weer kennismaken met nieuwe collega’s uit Zuid-Korea, Paraguay, Finland, Mozambique en Groningen. Reuze gezellig en leerzaam.

Over gezelligheid gesproken, Sander had zijn laatste woord nog niet uitgesproken, of de band begint te spelen. Op naar de Summer Sangria Swing borrel! En om Muzza de huisrapper te citeren: “Een fijne vakantie, dit was ’t einde van het kwartaal, einde verhaal.” Proost.

band

Ik heb een klacht

Ik heb een klacht. Overal waar ik kom in Amsterdam, gaat de brug open. Onzin zou je denken; je overdrijft, maar nee. Er zijn namelijk 1539 bruggen in Amsterdam. Waarvan 252 in het centrum. En ze gaan echt vaak open! Kortom, een gegronde klacht, al zeg ik het zelf. En ik heb nog eens extra pech.

Tussen mijn huis en de stad ligt namelijk de Kostverlorenvaart. Ga ik vanuit huis linksaf
richting stad, dan sta ik onherroepelijk stil bij de brug bij de Kinkerstraat. Ga ik rechtsaf,
dan moet ik steevast wachten bij de Overtoom. Menig appje heb ik al verstuurd vanaf deze locaties: “Grrrr, brug open, ben 5 min later.” De Rijn is qua scheepvaartdrukte niets
vergeleken bij de Kostverlorenvaart. Vrachtschip na vrachtschip komt voorbij, volgeladen met zand of auto’s. Geen idee wat we midden in de stad met zoveel zand en auto’s moeten, maar er zal vast een hoger doel achter zitten.

Het tafereel gaat vaak zo: ik kom aanfietsen en de alarmbellen beginnen te rinkelen. De
slagbomen blijven echter gewoon open. Provinciaal als ik ben, durf ik toch niet meer door te rijden. Hordes mensen hebben wél lef en lopen of fietsen stoïcijns door. Inmiddels dalen de slagbomen. Nóg steken mensen de brug over. Aan de overkant een gillend groepje pubermeisjes en aan mijn kant kruipt een junk onder de slagboom door en lacht me tandeloos toe: “Ken prima, schèt.”
Brug in Amsterdam
Ik posteer mezelf zo ongeveer met mijn neus tegen de slagboom. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt. En nóg presteert een kerel het om zich even later met fiets en al tussen mij en de slagboom in te wurmen. Dames gaan in Amsterdam kennelijk niet meer voor. Intussen passeert het vrachtschip. Ludovica heet ze. Toeristen nemen foto’s van het schip; selfies met zichzelf vol in beeld. Zodra Ludovica voorbij is en de brug weer geopend, stuift de massa weg. Tringelende trams, fietsers, voetgangers, auto’s; alles kriskras door elkaar: de chaos is compleet. Survival of the fittest.

Laatst dacht ik slim te zijn toen ik zag dat de brug weer eens open ging. Ik had geen zin om lang stil te moeten staan. Nee, ik zou een lekker visje gaan halen bij de visboer naast de brug. Ik werd geholpen door de vrouw van de visboer, die me in elke zin aansprak met ‘dame’. Meneer de visboer besloot zelf ook klanten te gaan helpen en zei tegen de man achter me: “Jongeman, zeg het maar!”. De man keek rond en zei grappend: “U zult mij wel bedoelen?!”. Ik moest toch op de brug wachten dus ik mengde me ook maar in het gesprek: “Tsja, ík voel me niet aangesproken.”. We lachten allevier en grapten nog wat door. Al knipogend naar mij liep de jongeman na z’n aankoop weg, de lange wachtrij voor de open brug in.

Bij nader inzien hoeft wachten bij een brug niet per definitie vervelend te zijn. Je ziet nog
eens wat, dus eigenlijk mag ik blij zijn met die 1539 Amsterdamse bruggen. Ik trek mijn klacht maar weer in.

Bij de politie


Sinds kort zit ik bij de politie. Nou ja, niet echt natuurlijk. Nee. Ik zit bij de Facebookgroep Politie Amsterdam Overtoomsesluis. Vraag me niet hoe ik lid van deze groep ben geworden, ineens was ik het. En wat blijkt, het is een interessante groep.

Onder het kopje Informatie lees ik bijvoorbeeld letterlijk:

“Anno 2015 kunnen wij politie PolitieagentOvertoomse Sluis ons niet meer verschuilen voor de digitale platformen. Onze visie om ‘ online ‘ te zijn is, u snel en vaak met beelden / foto’s te informeren over wat wij allemaal doen in jouw buurt. Ons redactieteam, zijn gewoon collega’s die dag en nacht werken, gewoon, op straat in uw wijk. En soms ook, gewoon, vrij zijn! Immers zijn wij niks voor niks #ASD247. Met u mening en ons soms inventieve wijze zoeken wij samen naar de verbinding. Want samen zijn wij sterk. #OvertoomseSluisZoektVerbinding”

Potverdorie, per zin stijgt toch je sympathie voor de politie? Ik zie al voor me hoe een agent heeft zitten zwoegen op zo’n tekst. Omdat zijn/haar leidinggevende vond dat ‘we ons niet meer kunnen verschuilen voor digitale platformen.’ Tijdens het tekstueel ploeteren vergetend dat drie keer het woord ‘gewoon’ in een zin niet zo fraai is. Heel andere koek dan boeven vangen, maar de schrijvende agenten doen het met verve vind ik. Samen zijn zij sterk. Niet altijd even helder geschreven, maar met de beste wil van de wereld. Én met veel hashtags.

Ik lees vervolgens een bericht over een ongeluk in de Kinkerstraat:

“Een groep Franse mannen (toeristen), had hier in het mooie Amsterdam fietsen gehuurd. De Fransen waren fietsend een vrijgezellen feest aan het vieren.” Een van de feestvierders had volgens de politie de gladheid van de trambaan onderschat en was onderuit gegaan. “De Franse mannen alsmede de aanstaande bruidegom waren erg behulpzaam. Ook bekommerden zij zich over hun vriend door bij hem te blijven terwijl Ambulancedienst van Amsterdam eo met hun vriend bezig was.”

Wat een heerlijke, droge beschouwing. Het lijkt me niet meer dan logisch dat je je om je vriend bekommert en bij hem blijft als die gewond geraakt is. Zélfs de aanstaande bruidegom heeft volgens de politie geholpen! Nou, het moet niet gekker worden.

Maar dan komt het.

“Terwijl we druk bezig waren met de hulpverlening aan het ongelukkige slachtoffer, heeft een of andere onverlaat de fiets van het slachtoffer gestolen. De Franse toeristen baalden enorm en hebben helaas geen mooie ervaring nu aan Amsterdam. Namens ons dank hiervoor! ‪#‎waargaathetheen‬.”

Ik schiet in de lach vanwege de woordkeuze: ‘een of andere onverlaat’. Pietje Bell verschijnt op mijn netvlies. En vooral ‘namens ons dank hiervoor!’. Tussen de regels door lees je de irritatie. Het zit de schrijvende agent echt dwars. Wel weer een mooie #hashtag overigens.

Ongeluk

Maar gelukkig zijn er ook zaken die vrolijker eindigen. Onlangs zagen twee dienders op het Mercatorplein een puppy uit de tram stappen. Ze hebben hem gevangen en meegenomen naar het bureau. “Al snel meldde zijn baasje zich. De pup, Kees genaamd, was alleen op avontuur gegaan. De pup en zijn baasje zijn weer herenigd! Kees heeft natuurlijk een “112 Ik speur mee” halsband gekregen! Kees closed!”

Kees closed. Dan ben je een agent met humor hoor. Een baas.

Ik speur nog wat verder en kom een bericht tegen over het verwijderen van fietswrakken:

“Heeft u een fiets die u nooit meer gebruikt? Bedenk dan wat u er mee wil. Misschien is het tijd dat u afscheid van hem neemt? #opgeruimdstaatnetjes.” Benieuwd hoeveel mensen deze raad ter harte nemen, maar een sympathiek advies is het wel, afscheid nemen van je fiets.

Vaak klinkt de roep om meer blauw op straat. Ik roep in ieder geval om meer blauw op Facebook. Ik weet niet of de wereld er echt veiliger van wordt, maar in ieder geval wél grappiger. #ikbenfan

NB: Ja, er staan wat taalfouten in deze column. Ik heb bepaalde stukken tekst letterlijk van de Facebookpagina van de politie geciteerd. Inclusief taalfouten 😉

In de put

Ik praat vaak over mijn werk. Op elke verjaardag/borrel/bruiloft/vul maar in. Wat doe je voor werk schijnt men gráág van mij te willen weten. Of ‘hullie’ denken dat ik naast mijn werk geen leven heb, dat kan ook.

Toen ik de beroemde vraag laatst zelf op een borrel stelde aan iemand, kreeg ik lik op stuk van hem. “We hebben het hier in Nederland altijd maar over werk!”, brieste hij. “Net of er geen belangrijkere dingen bestaan!” Natuurlijk bestaan er wel belangrijkere dingen, maar daar wil ik het niet met jou over hebben, dacht ik bij mezelf.

Afijn.

Ik moest denken aan de reportage die ik even daarvoor in de krant las. De verslaggever
ging mee met een putwacht: schoonmaken in het Amsterdamse riool. Ja, anno 2016 gebeurt dat nog steeds deels met de hand; raar maar waar. Volgens de verslaggever “probeert de putwacht van Waternet met een verfkrabber de buizen schoon te houden.” Probeert. Dat klinkt niet veelbelovend. En dan ook nog met een vérfkrabber.

Het riool met de hand schoonmaken is geen onschuldig klusje. Het is een kweekvijver voor schadelijke bacteriën, virussen en schimmels, wat voor verstikking door zuurstoftekort of vergiftiging door gassen kan zorgen. Bij een te hoge concentratie ben je zo van de wereld. Daarom wordt de lucht continu via een gasmeter in de gaten gehouden. “Als de meter uitslaat, is het rennen geblazen”, vertelt putwacht Ron nuchter. Terwijl hij een keer onder de grond zat, werd verderop een drugslab opgerold. Het drugsafval werd snel in het riool gedumpt. “Levensgevaarlijk.”

Riool

Gewapend met hun verfkrabbers kruipen Ron en zijn collega’s het buizenstelsel in om het vuil van duizenden stadsbewoners van de muren te schrapen. In twee jaar tijd wordt zo het hele rioolstelsel onderhouden. Daarna begint het, hoe verrassend, weer opnieuw. Ron: “Ik zit al 27 jaar in de put.” Dat doet blijkbaar niet af aan zijn droge humor.

Maar dan. Ondergronds blijkt het interessanter en levendiger dan gedacht. Ron wijst een rattennest aan. “We zien ratten zo groot als katten.” Even verderop springt een kikker weg. Er drijft een stuk poep voorbij. Een stevig stuk, zegt hij bewonderend, want de meeste drollen zijn al stukgeslagen na een paar vrije vallen eerder in het riool.
Verder weet Ron na 27 jaar dat de meeste mensen hun gebruikte condooms netjes dichtknopen. Altijd een interessant weetje voor op eerdergenoemde feesten en partijen. Ook is duidelijk wanneer de zomervakantie begint, want dan bevat het riool een overdosis goudvissen. Rare jongens, die Amsterdammers.

Tjonge, wat een baan heeft deze beste man. Hij verkeert dagelijks tussen onze gebruikte condooms, afgedankte goudvissen en ratten zo groot als katten. Respect. Vergeleken met Ron is mijn werk maar Spielerei Onder Het Systeemplafond. Waar we snel een raam openzetten als een collega iets teveel knoflook heeft gegeten en we om het uur een verse cappuccino halen.

Zolang er mensen met een beroep als putwacht bestaan, wil ik het op elk feestje juist héél graag over werk hebben. Over Ron’s werk bijvoorbeeld, want dat is reuze belangrijk. Maar maak dat die lik-op-stuk-kerel maar eens wijs.

De nieuwe kleren van mijn collega’s

“Hé!! Heb je een nieuw vest, O.?!” “Ja, gister samen met m’n moeder gekocht!” “Oh mooi, die lichte zomerkleur. Want je donkerblauwe en bruine vest zijn meer voor de winter.” “Vond ik ook. Maar jij hebt ook iets nieuws aan!” “Ja, vorige week gekocht.”

Zomaar een gesprekje op kantoor.

KlerenEenzelfde conversatie had ik een dag later met een andere collega. Ik complimenteerde
hem met zijn nieuwe trui. Ik had meteen gezien dat die nieuw was. Helaas was hij zelf niet zo tevreden over de groene kleur. “Staat je wel goed hoor, en je draagt bovendien nooit groen”, pepte ik hem op.

Al een paar jaar werk ik samen met een groep grotendeels dezelfde collega’s. Op een gegeven moment weet je best veel van elkaar. Zoals hoe het met ouders gaat, hoogte- en dieptepunten uit elkaars liefdesleven en dus wanneer iemand nieuwe kleding heeft.

Ook ken je elkaars gekke eigenschappen en gewoontes. Zo praten collega’s R. en R. vaak in een andere taal met elkaar. Waarom is me een raadsel. Surinaams, Frans, Spaans, Vlaams; vrijwel elke taal passeert de revue. Duits is echter veruit de favoriet. Gedurende de dag komen er een hoop hele en halve Duitse zinnen voorbij. Wellicht heeft het met de fascinatie van de ene R. voor de Tweede Wereldoorlog te maken. Ook voor wat lastigere of exotische talen draaien de heren hun hand niet om. Toen ik aankondigde naar Iran op vakantie te gaan, was Arabisch plotseling ‘de bom’ en kreeg ik de hele dag ‘Inshallah’ en ‘Allah Akbar’ naar mijn hoofd geslingerd.

Na een paar jaar samenwerken met dezelfde mensen, raak je qua humor ook wel aan elkaar gewend. Gelukkig zit ik een team met een paar feestneuzen, dus ik hoefde niet lang te wennen op zich. Een dag niet gelachen is in mijn geval een dag niet gewerkt. Een koffiepauze verliep laatst bijvoorbeeld zo: Ik vertelde dat ik op de Wallen was geweest. “Oh, wat deed je daar dan?”, vroeg de ene R. “Ik werk daar”, zei ik met uitgestreken gezicht. “Ah, dus je hebt nu eindelijk van je hobby je beroep gemaakt.” Aldus de andere R. Tsja. Dit is dan de nog wat meer intelligente kantoorhumor. Er gaat ook wel eens een scheetkussen rond en daar wordt dan ook hard om gelachen. Letterlijk platte, luchtige humor.

Wallen

Als de collega’s en de grappen me even teveel worden, correctie; als de werkdruk me teveel wordt, neem ik een paar minuten pauze. Ter ontspanning lees ik dan digitale krant De Correspondent. Een van de favoriete auteurs is Arnon Grunberg. Een ietwat vage filosoof die de rubriek ‘Thuis ben je waar…’ schrijft. Mooie stukken tekst, maar de clou ontgaat me meestal. Iets met ‘Thuis ben je waar de vrouw van de barpianist op je spullen past’ en Thuis ben je waar de ondergang je vriend is’. Ja ja, natuurlijk.

Waar ben ik eigenlijk thuis, naast mijn eigen huis? Op mijn werk in ieder geval. Waar we grappen maken over mijn zogenaamde werk op de Wallen. En we de inhoud van elkaars kledingkast uit ons hoofd kennen.

Naar de kapper

Afgelopen week las ik in de Amsterdamse uitkrant een artikel over kappers. Correctie. Het artikel ging over winkels, barretjes en fietsenmakers waar óók je haar geknipt kan worden. Het zijn zogenaamde ‘beleveniskappers’. “Louter knippen is passé”, volgens het artikel.

Hartstikke leuk, dit soort initiatieven. Maar ik moet bekennen dat ik nog geen klant ben van zo’n ‘beleveniskapper’. Ik heb al jarenlang halflang tot lang haar. Bij elk kappersbezoek is het recept: “Doe maar een stukje er af.” “Ja, in laagjes, ja.” Ik heb al heel wat gapende kappers gezien. Laat staan dat zo’n écht hippe kapper annex fietsenmaker annex wijnbar annex boekenwinkel lol aan mij zal beleven.

Kapper

Helaas voor deze entrepeneurs is er nóg een heel grote groep vrouwen waar de knip-belevenis niet centraal staat. De vrouwen met Kort Pittig Kapsel. Ja, bewust met hoofdletters, zo heet namelijk de roemruchte groep op Facebook. Dames met namen als Jos, Helma, Paula en Miranda tonen er vol trots hun Kort Pittige Koppie. Hun kapsel laat zich het beste omschrijven als opgeschoren aan de zijkant en stekels bovenop. ‘Stiekels’, zoals we vroeger in Drenthe zeiden. En bij voorkeur zijn de stekels koperrood geverfd. Soms bevat het korte kapsel een langere lok, strak en scheef over het voorhoofd getrokken.
Om de pronte boezem dragen deze dames een felgekleurd en druk gedessineerd tricot tuniek van Miss Etam. Verder naar beneden een witte driekwart legging. Waar je deze pittige types tegenkomt, behalve op hun eigen Facebookpagina? Nou, bij de Huishoudbeurs bijvoorbeeld, met de rolkoffer vol gratis goodiebags.

Over vroeger gesproken; vriendin C. en ik waren in onze studententijd altijd doodsbang voor het moment dat we later een jas met afbeelding van een bloem of beertje Paddington op de achterkant zouden gaan dragen. En een kapsel met ‘stiekels’ zouden hebben. Want ons studentenbrein dacht dat je dat nou eenmaal deed en had, als je de dertig gepasseerd was. Zowel C. als ik zijn inmiddels in volle glorie de dertig gepasseerd en dragen géén jas met een beertje of bloem achterop en hebben géén kort, pittig kapsel.

Misschien zou ik, om het Kort Pittige Kapsel voor te blijven, toch maar eens naar Kappereen ‘beleveniskapper’ moeten. Nu ik erover nadenk vind ik het eigenlijk ongelijkwaardig
dat de Kort Pittige Vrouw niet haar eigen ‘beleveniskapper’ heeft. Geknipt worden met een glaasje Apfelkorn in de hand, een live concert van Frans Bauer en na afloop een rolkoffer met beautycadeautjes mee naar huis. Er is markt voor, als ik om me heen en op Facebook kijk. Maar ik sla deze kapper voorlopig met liefde over. Het is mijn tijd nog niet, denk ik. Hoop ik.

Tony

Sinds een jaar heb ik elke week een date met Tony. Ik zou wel vaker willen, maar het is beter om het rustig aan te doen. Mijn vriendinnen weten er van. “Ik heb vanavond een date met Tony” is tegenwoordig een legitieme reden om een afspraak te weigeren. Tony Chocolonely gaat in sommige gevallen gewoon voor.

Voordat ik Tony leerde kennen, at ik eigenlijk nooit chocoladerepen. Af en toe eens M&M’s of wat chocoladekoekjes, vaak met vriendin C. Tot mijn verjaardag vorig jaar. Op die catastrofale dag in 2015 kreeg ik van mijn lieve bovenbuurvrouw een reep Tony Chocolonely. Een gele. Nougat-smaak. Ik weet het nog als de dag van gisteren.

Sindsdien heb ik alle kleuren en smaken wel gehad. Mijn favoriet is de groene met hazelnoot, maar de oranje met karamel en zeezout is ook niet te versmaden. Zelfs de gewone ‘saaie’ melkreep is lekker. En had ik het al over de special gehad? Discokorrels met popcorn! Tony Chocolonely paaseitjes
Op pure chocola ben ik normaal gesproken niet zo dol, maar die van Tony vind ik uiteraard wel lekker. Vooral met pecannoten en karamel. Maar het aller-, állerbeste zijn de paaseitjes, want dan krijg je een echt eierdoosje met alle kleuren Tony er in. Beter wordt het niet.

Mijn nieuwe verslaving is mijn omgeving niet ontgaan. Het zal ongetwijfeld te maken hebben met: “Nee, vanavond heb ik al met Tony afgesproken.”
Toen onlangs bekend werd dat Tony Chocolonely een heuse chocoladefabriek zou gaan openen in Amsterdam, kreeg ik binnen een uur tijd van vijf vriendinnen het bericht doorgestuurd. “Hier! Voor jou! Moet je heen! Heb je al kaartjes?” Dat soort teksten. Best ernstig, vijf meldingen in een uur. En natuurlijk wist ik het zelf allang.

Tony ChocolonelyNaast de fabriek is er nu ook een film over de ontstaansgeschiedenis van het bedrijf. Vriendin M. attendeerde me er op. Ik word dus blijkbaar meteen met Tony geassocieerd. Dat is niet goed voor mijn imago, eerlijk gezegd.

Ik moet af gaan kicken. Het was een heel leuk en vooral lekker jaar met mijn bruine vriend, maar het is nu tijd voor een nieuwe, gezondere verslaving. Een sportschool-verslaving of een sla-verslaving. Een ver-SLA-ving, in dat geval.
Maar voordat het zover is, wil ik eerst die film over Tony nog zien. Lekker in de bioscoop, met een flink stuk bruin goud erbij natuurlijk. Hazelnoot. Of toch maar die heerlijke karamel met zeezout? Misschien zelfs wel allebei, het is tenslotte mijn laatste date met Tony. Maar de liefde, die is nog lang niet over.

Op kantoor

Af en toe kijk ik vanuit helikopterperspectief naar mijn leven. Over sommige dingen ben ik dan tevreden, over andere minder. En sommige dingen vind ik van bovenaf gezien ronduit ráár. Zoals het leven op kantoor.

Ik heb hele gave, lieve, gekke collega’s met wie ik het goed kan vinden. Maar we zeggen wel vreemde dingen tegen elkaar.
“Hé hoooooi, hoe issie?!” “Ja goed, maar wel druk druk druk hoor. Die targets van Q4 hè, we moeten nog even een eindsprint inzetten.” “Ok, dan schiet ik wel even een meeting voor morgen in, want ik wil iets tegen je aanhouden. En dat kan niet wachten tot onze Bila of het overleg met de taskforce volgende week. Dit voelt echt als een aap op mijn schouder. Ik hoop dat ik samen met jou deze uitdaging plat kan slaan.”
Met dit soort gesprekken vul je met gemak een halve werkdag. En niemand kijkt er meer van op, nee hoor, we begrijpen elkaar.

Toen ik net begon met werken, lichtjaren geleden, moest ik erg wennen aan dergelijk kantoorjargon. Ik hoorde een zeergewaardeerde collega destijds vragen: “Wie is de probleemeigenaar?”
Wat?! dacht ik bij mezelf, hebben zelfs problemen hier een eigenaar? Nou, die moet ze dan toch oplossen lijkt me. Exit probleem. Maar zo eenvoudig lag dat niet, vertrouwde de collega me toe.

Het kan nog erger begreep ik laatst van een vriendin die net begonnen is bij een ministerie in Den Haag. Daar hebben ze het over pluffen en hossen*. Onbegrijpelijk als je geen ambtenaar bent.

Kantoor

Op zich is ons kantoorjargon dan nog wel aardig te volgen. Wat we wel veel doen merkte ik, is namen afkorten. Zo wordt Garikai Gary genoemd, Olga Ol, Linda Lin en Jitske Jits.
Hoewel, afkorten? Soms worden namen juist verlengd. Rick wordt Rickert bijvoorbeeld. Dat is misschien ook wel logisch, want aan Rick valt weinig af te korten. En m’n collega Irene gaat sinds kort door het leven als Bierene. Maar dat heeft meer met haar favoriete drankje te maken dan met de naam Irene an sich.

Over namen gesproken: de schoonmaker op kantoor is een allervriendelijkste man uit Marokko. Hij heet Appie. Ik stond er nooit bij stil dat dat eigenlijk geen gebruikelijke naam is voor een Marokkaanse man. Maar je kunt ook niet overal over nadenken, sommige zaken neem je gewoon voor waar aan.
Tótdat een collega mij laatst vertelde dat Appie helemaal geen Appie heet, maar Mohammed. Op mijn vraag waarom we hem dan Appie noemen, kwam het antwoord dat we vijf schoonmakers geleden een schoonmaker hadden die Appie heette. Sindsdien worden alle opvolgers, uit welke exotische windstreek dan ook, Appie genoemd.

Bij ons behoort dus blijkbaar zelfs de naam van de schoonmaker tot het jargon. Ik zei het al: het leven op kantoor is ronduit raar. Maar soms moet ik er vanuit mijn helikopter toch ook wel om lachen.

* pluffen: plv. – plaatsvervangend
hossen: HOS – Hoofd Ontwikkeling Samenwerking

Mijn vakantieliefde

Vorige week was ik op vakantie in Andalusië, met vriendin S. In het kleine appartementencomplex waar we zaten hadden we, op z’n zachtst gezegd, fascinerende buren.

Zoals twee pensionado-stellen, die hele dagen met elkaar communiceerden via het balkon. Met drie huisjes er tussen. “Truuuhhuuussss, wij zijn zo vehèèèrrrr!” “Okééeeeee! We komen er aaaaahaaan, als Henk ook klaar is!” “Okeee, daaaahhaagg!”
“Daaahhaaag!!” Van dit soort conversaties waren wij dus de hele week getuige. Echt waar.

Iets minder makkelijk te duiden waren de mensen tegenover ons. Een trio; twee dames en een heer. S en ik hebben twee dagen lang gefilosofeerd over hun achtergrond. Het ging om een grote dikke man van middelbare leeftijd met een roze korte broek en een roze poloshirt. Een van de vrouwen was eveneens groot, dik en van middelbare leeftijd, met wit hemd en wit kort broekje en kort pittig kapsel. De andere vrouw daarentegen was kleiner, jong, blond, slank en modern gekleed. Onze slotconclusie was dat het een huisvriendin moest zijn, iets anders konden we er niet van maken.

Maar er was iemand die veel meer indruk maakte dan alle pensionado’s en trio’s bij elkaar. Mijn vakantieliefde: Greg. We ontmoetten elkaar bij het zwembad. Het contact begon voorzichtig met wat steelse blikken over-en-weer en een kort praatje.

Vakantieliefde
De dagen er na werd het contact wat intensiever en ook persoonlijker. Je kletst wat over waar je vandaan komt, met wie je op vakantie bent en wat je die vakantie al ondernomen hebt. Geheel onschuldig nog allemaal.

Op een gegeven moment zocht Greg steeds meer toenadering. Het begon ons op te vallen dat telkens als wij bij het zwembad lagen, hij vroeg of laat ook kwam.
De gesprekken verdiepten zich. Hij had het over zijn ouders en broer en later zelfs over evolutie en voortplanting. Wat mij betreft hoefden we het daar niet over te hebben, maar Greg stond er op zijn kennis over dit onderwerp te delen. Ik vond zijn kijk op de evolutietheorie echter wel interessant hoor, dat wel. Het maakte hem eigenlijk nog leuker, niets aantrekkelijker dan een slimme kerel. En toegegeven; zijn mooie grote bruine ogen lieten me ook niet koud.

Uiteindelijk is het bij een platonische liefde gebleven. Ook wel logisch; de vakantie was maar kort en ik was in gezelschap van vriendin S en hij van zijn broer en ouders. Misschien ook maar beter, want zoals dat gaat met vakantieliefdes; uit het oog uit het hart. We hebben ook geen contactgegevens uitgewisseld.
Op de luchthaven zagen Greg en ik elkaar nog in een flits en wisselden we een laatste blik. Maar ik weet eigenlijk niet zeker of hij mij nog wel herkende. Ach, ik neem het hem ook niet kwalijk; Gregje was immers pas vier.

3 tips voor single mannen

Laatst was ik met een paar vriendinnen aan het kletsen. We hadden het over mannen. Uiteraard. Daar kun je als vrouw uren over praten. Hoewel, praten? Het was meer klagen. Over dates. Rare, contactgestoorde en tegenvallende dates. Zelf kon ik ook lekker mee klagen.

Zo kwam ik op het idee om de mannen een paar tips te geven. Wat moeten ze niet doen, en wat juist wel? Want een geslaagde date; welke vrouw wordt daar nou niet gelukkig van? En als de vrouw gelukkig is, afijn, je snapt ‘em wel.
Dus hierbij drie dingen die mannen niet moeten doen bij het daten, met daarbij een tip over hoe het wel moet:

1. Je wilt een hoogopgeleide pittige dame natuurlijk wel een beetje intelligent aanspreken. De digitale openingszin “Hoi, hoe is het daar?” gooit geen hoge ogen bleek uit gedegen onderzoek (n=4). Hoe is het daar? Waar?! Zo’n man weet toch niet waar ik ben? Ik denk dan bij mezelf na zo’n vraag: bij mij in Amsterdam-West gaat het op dit moment goed, maar voor hetzelfde geld wordt er om Datende hoek weer iemand geliquideerd. Dus wat zeg je dan voor zinnigs, in zo’n geval?
Op mijn antwoord “Waar?” kreeg ik vervolgens de letterlijke reactie: “Whoehahaha, gewoon bij jouw! Ik zit heerlijk voor de buis hahahaha!!”
Zo’n reactie slaat toch elk zinnig gesprek dood, om bij het thema liquidaties te blijven?
Tip: Gebruik je intellect. Als je dat niet hebt, doe dan in ieder geval alsof.

2. Nadat je je best hebt gedaan op een openingszin en intelligente dingen hebt gevraagd, volgt er vast en zeker een date. Oké, maar ga dan vervolgens niet uren zitten zwetsen over je werk bij de gemeente Beverwijk. Hártstikke leuk dat je zo enthousiast bent over je baan daar als assistent infrastructureel projectmanager, maar details over de aanleg van een nieuwe afrit in Beverwijk Zuid-West mag je je date besparen. Inclusief de gehele tijdsplanning en het gedetailleerde kostenplaatje.
Tip: De dame tegenover je heeft hoogstwaarschijnlijk óók een baan. Misschien wil je daar ook wat over weten? “En wat doe jij voor werk?” zou al een uitstekende vraag zijn, om te beginnen.

3. Stel nou dat het allemaal van een leien dakje gaat, dan nodig je op een gegeven moment je aanstaande meisje thuis uit voor bijvoorbeeld een etentje. Zij tut zich op en doet net even een extra laagje mascara op. Ook wordt het leukste setje kleding uit de kast getrokken. Zo zijn vrouwen. Maar beste mannen, doe dan vervolgens niet de deur open met je Spaanse sloffen aan. Met blote voeten er in. Als vrouw wil je dan rechtsomkeert maken.
Spaanse sloffenTip: Als je je date thuis ontvangt, verstop je Spaanse sloffen. Trek gewoon een paar leuke schoenen aan. Met sokken alsjeblieft.

Zo kunnen wij vrouwen nog wel even doorgaan. Maar ach, het hoeft ook allemaal niet heel erg opgeprikt te zijn. Als mannen zich aan bovenstaande adviezen houden, zijn de dames al een stuk tevredener. Nu ben ik eigenlijk wel benieuwd of de heren ook zulke probleemgevallen tegenkomen. Ik kan het me niet voorstellen. Maar helemaal zeker ben ik er toch ook weer niet van. Uit voorzorg zal ik in ieder geval mijn Spaanse sloffen achter in de kast leggen. Dan kan ik op dat punt tenminste niet de fout in gaan.

Wat een verhaal

Af en toe lees ik woontijdschriften. Sterker nog, sinds kort heb ik zelfs een half-jaar-abonnement op VT Wonen. Je moet een beetje bijblijven op interieurgebied tenslotte. Zo weet ik nu dat vetplantjes en cactussen in de mode zijn, het liefst onder een stolp. Eigenlijk is alles wat onder een stolp zit, goed. Koper is dé kleur van dit moment en stoelen van Eames zijn nog steeds erg gewild. Steigerhout is op z’n retour en boeddha’s en houten plankjes met suffe teksten zoals ‘HOME’ er op, zijn hopeloos 2013. En dat is maar goed ook, lijkt me.

Het leukste vind ik de interviews met mensen die hun huis showen. In de VT Wonen die ik gister las bijvoorbeeld, stonden Sjaak en Barbara uit Nieuwegein. Twee kinderen en een hond. Tot zover niks aan de hand, op Nieuwegein na misschien, maar dat is weer een ander verhaal.

Wat een verhaal!Net als vele anderen in een woontijdschrift, wilden Sjaak en Barbara alleen spullen met een verháál in huis. “Bohemién en eclectisch, alles kan!” Aldus Barbara. Zo waren de twee ronde gevallen op de boekenkast hoedendozen, gescoord op de rommelmarkt in Beijing. In de boekenkast stond nog een hele reeks Aziatische snuisterijen. Verderop een tafeltje dat Sjaak zelf gemaakt had tijdens zijn sabbatical, uiteraard met vetplantjes en cactussen er op. Aan de muur hing een reproductie van een Rembrandt, gekocht tijdens het jaarlijkse dagje Amsterdam vorig jaar. Die dag hebben ze trouwens ook de vliegenmepper gekocht. Bij de Hay Design Store. Inderdaad, allemaal spullen met een bijzonder verhaal en mooie herinneringen er om heen. Ik kan het niet ontkennen.

Maar ik heb toch een beetje moeite met dat “verhaal”. Sowieso is iedereen tegenwoordig een verhalenverteller. Elke fotograaf, filmmaker of acteur heeft ‘een verhaal te vertellen’. Daar kan ik nog best in komen, maar je hele huis inrichten met spullen met een verhaal? Dat gaat mij in ieder geval niet lukken, denk ik terwijl ik ondertussen vertwijfeld en onzeker om me heen kijk.

Ik zie een paar planten die ik bij de bloemist op de hoek heb gekocht. Ik ben er vaste klant, want elke paar weken gaat er wel weer een plantje dood. Kansloos, met het oog op een goed interieurverhaal. Wel een aantal reisgidsen van verschillende reizen en zelfs welgeteld één souvenir, van acht jaar oud. Een minuscuul woordenboekje met ‘Australian slang’. Ja, toch handig als je dat spreekt. Barbie betekent bijvoorbeeld barbecue. Onmisbare kennis in Australië. Verder nog een rode lampjesslinger uit België, gekregen van vriendin M. Omdat ze vond dat rode lampjes zo bij mij passen. Dat geeft te denken, eerlijk gezegd. Op tafel een kandelaar die ik kocht toen ik boos was op een ex. Een veelkleurig schilderij van een Groningse schilderes. Het stoffer en blik dat het eerste item van mijn uitzet vormde, 15 jaar geleden.

Zo bekeken heb ik in ieder geval wel een inrichting met herinneringen, in verschillende mate van belangrijkheid. Alleen een goedlopend en doordacht verháál zoals van Sjaak en Barbara uit Nieuwegein is het al met al niet echt. Ik zie mijn interieur meer als een bundel met losse verhalen, nog in ruwe conceptvorm. Maar zijn de mooiste literaire pareltjes niet ook ooit zo begonnen? Ik zal VT Wonen alvast bellen.

Vreemde vogels

Laatst was ik ziek en daarom kwam mijn moeder op bezoek. Niks fijner dan een beschuitje en kopje thee van je moeder als je ziek bent. Ook al ben je al 33 jaar oud.
Nog voordat mijn moeder goed en wel binnen was en vroeg hoe het met me ging,
riep ze: “Weet je wat ik net zag hier op straat?!” “Nee, geen idee.” “Een man
met zeven teckels aan de lijn!!!” Ik moest mijn moeder teleurstellen, ik zie dit heerschap geregeld met tíen teckels. Inmiddels ben ik daar niet meer verbaasd over. Alles went. Al vraag ik me wel af wat je met tien teckels moet.

Ik zeg tegen moeders dat ik wel vaker vreemde vogels zie bij mij in de straat. En
dan doel ik niet op de grote groene parkieten die de hele stad bevolken.
Zo loopt er vaak een kale donkere man in een geheel wit pak en witte bril langs. Vroeger zou je trouwens gewoon neger zeggen, maar dat mag nu niet meer. Hij draagt altijd een heel grote radio op zijn schouder, waar uiteraard luide muziek uit komt. Zowel
zijn muziek als verschijning zorgen voor een vrolijke noot in de straat. Letterlijk en figuurlijk.

Iemand anders die voor vrolijkheid zorgt, is mijn onderbuurman. Deze beste man is Vogel
immer goedgemutst en heeft één onderwerp waar hij graag over praat. Het weer. Zodra we elkaar tegenkomen op straat, begint hij over het weer. Volgens hem is het elke dag goed weer. Fijn als je altijd één onderwerp paraat hebt om over te praten en zo opgeruimd in het leven staat. Wel zo overzichtelijk. Schrik dus niet als ik binnenkort op een feestje over het weer begin, schijnbaar word je er vrolijk van. Of werkt het andersom, dat een vrolijk persoon graag over het weer praat, bij gebrek aan problemen om over te praten?

Over opgeruimd gesproken: dat kun je van het hoekpand vlakbij mijn supermarkt niet zeggen. Daar woont een man die zijn hele huisje, een voormalig winkelpand, volgestouwd heeft met rommel. Vaak staat de deur open en hij heeft doorschijnende rolgordijnen, dus je kunt alles zien. Van onder tot boven en van links tot rechts: troep. Hoe kun je hier leven vraag ik me af. Wie wat bewaart, heeft wat, schijnt deze man denken. Zou die man met al die teckels dat ook denken? Wel opvallend trouwens dat alle vreemde vogels in mijn buurt mannen zijn. Dit kan geen toeval zijn.

Het beschuitje en kopje thee zijn op. Mijn moeder is helemaal op de hoogte van de vreemde buurtvogels en gaat weer weg. Morgen kan ik niet komen, zegt ze. Dat geeft niet mam, want met dit soort fascinerende mensen in de straat, verveel ik me geen seconde. Je zou je er haast een extra dag voor ziek melden.

Een burgerlijke kerst

Vorige week maakte ik een pauzewandeling tijdens mijn werkdag. Zitten is het nieuwe roken tenslotte. Ik wandelde op mijn gemak door de Amsterdamse wijk Tuindorp Oostzaan, vlakbij mijn werk gelegen. “Rondje Tuindorp” noemen mijn wandelcollega’s en ik deze route.

Tuindorp is een voormalige arbeiderswijk. Je ziet er kleine lage huisjes van rode baksteen, met een puntdak en kitscherige vitrage. Veel prullaria in en om het huis, zoals porseleinen poesjes en tuinkabouters. Kleine hondjes. Grote auto’s. En wat doen de Tuindorpers in de periode voor Kerst? Het huis versieren. En de tuin.
Geloof me, daar wordt niet op bezuinigd. Ik telde heel veel kerstmannen, -kransen en -slingers, hysterisch knipperende lichtjes in de meest exotische kleuren en grote, volgehangen kerstbomen. Veel bling bling en kitsch, dat vat de situatie goed samen denk ik.
Ik stel me voor dat in die periode de belangrijkste vraag is welke kleur kerstballen in de mode is. En of de kerstversiering van de buren niet mooier en grootser is dan die van jou.

Ik versier mijn huis nooit met Kerst. De tuin ook niet, want die heb ik niet. Het voelt voor mij toch wat burgerlijk als ik dat zou gaan doen. Ik ben jong, dynamisch, het Nederlandse equivalent van Bridget Jones en woon in de grote stad. Dan doe je zoiets niet, is mijn overtuiging. Het lijkt me meer iets voor gezinnen in Almere of in een Tokkies-wijk.
Of wil ik stiekem eigenlijk niet geassocieerd worden met mensen die volledig los gaan met zoiets simpels en kitscherigs als kerstversiering? En als extra hindernis lig ik dan ook nog liever lui op de bank dan met een kerstboom door de straat te moeten slepen. Kortom, ook dit jaar weer niks bijzonders te zien in mijn huis.

Kerst

Maar afgelopen weekend was ik bij een paar verschillende vriendinnen op bezoek. Zij hadden allemaal hun huis aangekleed met een kerstboom en wat kerstversiering. En dat vond ik eigenlijk toch wel gezellig en sfeervol.
Toen ik er nog iets langer over nadacht; vond ik vorige week al die lichtjes in de Amsterdamse binnenstad en horeca niet heel erg leuk? Ik zei nog enthousiast tegen een vriendin hoe mooi de stad wel niet was op dit moment. Wat ben ik hypocriet zeg, bah.

Misschien moet ik me dan er ook gewoon maar aan overgeven.
Het stukje burgerlijkheid in mij bevrijden en zorgen voor wat licht en bling bling in huis. Er is ellende genoeg in de wereld, dus waarom niet even de boze buitenwereld buitensluiten en je bezig houden met iets simpels en vrolijks? Ik moet niet zo streng zijn door dit voor mezelf af te keuren, en het voor anderen goed te keuren. Of stiekem zelfs toe te juichen.

Die Tuindorpers hebben dit allang door. Die schamen zich nergens voor en genieten gewoon van hun uitbundige versieruitspattingen. Ja, ik ga een voorbeeld aan hen nemen, het kan nog nét. Zometeen sjees ik naar de stad en koop ik een rendier met lichtjes in zijn gewei en een setje kerstballen. Maar eerst even uitzoeken welke kleur kerstballen dan precies in de mode is. Misschien moet ik een omweg via Tuindorp maken.

Oorlog op het werk

Op het werk praten we vaak over oorlog. Om precies te zijn elke dag om kwart voor 4. Niet omdat ik 80-plussers als collega heb, of omdat er oorlogsvluchtelingen bij ons werken.

Nee, niets van dat alles. Het heeft te maken met Robert. Deze zeergewaardeerde collega is gefascineerd door de Tweede Wereldoorlog.

Het begon onschuldig. Robert strooide met wat weetjes over de oorlog en stelde links en rechts een vraag om te kijken hoeveel wij er eigenlijk over wisten. Conclusie: bedroevend weinig. Dus wat doe je dan als je je kennis wilt etaleren en het niveau van je collega’s wat wilt verhogen? Dan ga je college geven. Elke middag om kwart voor 4, om er een beetje ritme en structuur in te houden.

Zo gezegd, zo gedaan. Sindskort geeft Robert zijn twee naaste collega’s Joshua en Eva college over de oorlog. Elke dag een ander onderwerp, zorgvuldig voorbereid. Aangezien we allemaal vrij dicht bij elkaar zitten, mogen de overige collega’s, waaronder ondergetekende, ook meegenieten van de colleges. Zo weet ik nu bijvoorbeeld dat we de kinderbijslag aan de Duitsers te danken hebben. Ja, je moet er maar op komen.

Maar wat heb je aan colleges als de stof niet ook getoetst wordt? Robert kondigt dus een heus tentamen aan. Joshua en Eva hebben ijverig aantekeningen gemaakt, dus op zich zou het tentamen een fluitje van een cent moeten zijn.

Tentamen door meester RobertVrijdagmiddag kwart voor 4 is het zover. Eerder die dag heeft Robert de tentamens bij mij in bewaring gegeven. Hij was bang dat terwijl hij naar toilet ging, de tentamens gestolen zouden worden. Meester Robert kent zijn pappenheimers. Ik bewaar de tentamens natuurlijk met alle liefde. Vooral omdat ik dan even de gelegenheid heb de tentamenvragen te bekijken. Ik wil wel eens weten wat voor kennis mijn collega gaat toetsen. Oei, ik ben eigenlijk wel blij dat ík geen tentamen hoef te maken:
– In Zeeland werd na de bevrijding doorgevochten. Waarom?
– Hoeveel concentratiekampen waren er in Nederland?
– Leg uit wat er apart was aan de staf van Kamp Westerbork*

De grote vergadertafel wordt ingericht met een kartonnen doos als tussenschot. De studenten zouden anders maar bij elkaar afkijken en dat is niet de bedoeling. Robert neemt plaats aan het hoofd van de tafel en houdt de wacht als een heuse examinator, terwijl Joshua en Eva zwoegen. Er zijn ook bonuspunten te verdienen. Met als resultaat dat Joshua een 10,3 scoort en Eva een 9,8. Op een schaal van 1 tot 10. De wonderen zijn de wereld nog niet uit.

Na het succesvolle tentamen zijn de colleges over de oorlog voorbij. Maar niet getreurd, we zijn nog niet uitgeleerd. Joshua heeft besloten college te gaan geven over speciaalbier. Het is duidelijk, ik zit in een baan waarin ik nog veel kan leren. Over bijvoorbeeld oorlog en speciaalbier.

* PS: de antwoorden:

1. In Zeeland werd doorgevochten omdat daar Franse soldaten gelegerd zaten, die niet onder de nederlandse strijdkrachten vielen.
2. 19 concentratiekampen.
3. Er zaten vooral Joden in de staf van Westerbork.

Troost is een keuze

site“Zo! Hier zul je van opknappen, jongedame!”, zei de barman toen hij met een zwierig gebaar de bestelde cappuccino voor m’n neus zette. Pardon?, dacht ik. Kennelijk zie ik er uit alsof ik die cappuccino hard nodig heb? Hmmm, tsja… misschien ziet zo’n man meer aan mij dan ik denk.

Bootvluchtelingen, een lekkage in huis, regen op je vrije dag en een date die je na de eerste date je twee kopjes thee zelf laat betalen en na de derde date alvast pro-actief meldt dat hij geen behoefte heeft aan intimiteit. Er zijn mensen die om minder van slag raken.
Terwijl het mantra tegenwoordig is: Je moet genieten! / Je moet alles uit het leven halen! / Je moet in je kracht staan! / Geluk is een keuze! Ja ja, het zal allemaal wel. Soms zit het mee, soms zit het tegen.

Maar wacht even, best mooi dat een wildvreemde, de barman in dit geval, ziet wat je nodig hebt. Een heerlijke cappuccino. Nu snap ik de term Bakkie Troost. En lukt het even niet om alles uit het leven te halen, dan troost ik me met een warme romige cappuccino, die ik tot de laatste druppel leegdrink. Heb ik toch nog érgens alles uit gehaald.

BN’er

Deze week is het de Week tegen Eenzaamheid. Zoiets geeft je stof tot nadenken. Voel ik me wel eens eenzaam? Hoeveel vrienden heb ik? Of zegt een getal helemaal niks?

Toen ik verhuisde naar Amsterdam, zeiden sommigen dat ze de ‘grote stad’ zo anoniem vonden, het leek ze erg eenzaam. Iedereen heeft haast en er is niemand die je aankijkt of groet. Ik vind het erg meevallen. En létterlijk eenzaam ben je nooit, met al die mensen om je heen op straat. Vooral in mijn eigen buurt kom ik veel bekenden tegen. En waar je over struikelt in Amsterdam, zijn BN’ers. Het lijkt hier wel een Bekende-Nederlanders-Reservaat. Je doet iets fout als je hier woont en geen BN’er bent, denk ik weleens. Aan de andere kant, iedereen kent wel íemand, dus iedereen is -voor iemand- een Bekende Nederlander. Een opbeurende gedachte.

Wie ik voortdurend tegenkwam in de buurt waar ik eerst woonde, was acteur Cees Geel. De eerste keer dat ik hem zag, was ik erg onder de indruk. “Zomaar bij mij in de buurt! Een echte BN’er, van de televisie!” Uiteraard heb ik mijn gezicht in de plooi gehouden. Ik was toen al drie weken een stoere hoofdstadbewoner tenslotte. Die nooit iemand aankijkt of groet. Maar inwendig juichte ik. Meteen heb ik een berichtje gestuurd naar vriendin M., die ook kickt op BN’ers. Ja, dit was nieuw voor mij, vergeef me mijn provinciale kneuterigheid. In mijn vorige woonplaats Groningen kwam ik slechts Bert Visscher tegen. En die ben je na drie ontmoetingen ook wel zat.

Je zou het niet verwachten, maar ik heb me ook wel eens BN’er gevoeld. Ga op reis naar Iran en je snapt wat een BN’er meemaakt. Overal waar we kwamen werden we aangestaard, aangesproken, werd er gefluisterd en omgekeken, werden er telefoonnummers gevraagd en foto’s gemaakt. Het hoogtepunt vond plaats toen we een moskee passeerden waar een lange rij mannen en jongens stond. Joelen, klappen en juichen. Pas na een uur waren we die moskee voorbij. Een heel bijzondere ervaring.

BN’er zijn voor een paar weken is dus best leuk. Het échte BN’er-schap daarentegen lijkt me toch niks voor mij. Ik waardeer juist de anonimiteit van de grote stad. Ik wil in mijn huispak naar de supermarkt kunnen, zonder dat meteen in de bladen staat: “Breaking: Marion Vetter doet haar boodschappen in groene trainingsbroek met gele strepen! En belangrijker: wie is die onbekende man aan haar arm?!” Nee hoor, laat mij maar lekker ‘eenzaam’ naar de supermarkt gaan.
En in het kader van de Week tegen Eenzaamheid zal ik deze week extra uitbundig zwaaien naar mijn hoogbejaarde overbuurvrouw. Ik ken haar niet heel goed, maar zij is wel een Bekende Nederlander. Bekend bij mij.

Een nieuwe liefde

Sinds kort date ik met een vrouw. De afgelopen jaren sprak ik zo nu en dan met mannen af, maar geen van deze dates is uitgegroeid tot een echte relatie. Dat lag soms aan de man in kwestie, maar vaker nog aan mij. Langzaam maar zeker werd me duidelijk dat ik een andere koers moest gaan varen.

Er waren zeker leuke mannelijke exemplaren bij hoor. Zo heb ik bijvoorbeeld goede herinneringen aan T., die ik –vers in Amsterdam– ontmoette op een bootje en die me in de weken daarna onbewust wegwijs heeft gemaakt in de stad. Of aan C., met wie ik ging frisbeeën en wijn drinken in het Vondelpark. En natuurlijk aan H., mijn laatste echte crush, die veel voor me betekende. Hij leerde me brood met pindakaas en banaan te eten. hart-2

Aan sommige anderen wil ik liever niet herinnerd worden, zoals aan diegene die mijn twee kopjes thee na afloop van de date wilde verrekenen. Niet in natura gelukkig. Of aan de enthousiasteling die me elke avond dit soort berichten stuurde: “Ey, hoe was je dag?” “Ey, hoe gaat het met je?” Heren. Je spreekt een dame niet aan met “Ey”. Verzin alsjeblieft iets charmanters. En nu niet gaan zeggen dat ik geen dame ben.

Maar goed, been there, done that. Tijd voor iets nieuws. En ik moet zeggen, het bevalt me. We hebben al veel leuke dingen gedaan samen. Gewandeld in het Amsterdamse Bos, langs de grachten geslenterd en naar een museum geweest. Samen geluierd op de bank met thee en chocola. Ja, ze is erg veelzijdig en dat maakt haar aantrekkelijk. Ik neem haar zelfs al mee naar afspraken met vriendinnen. Langzaam maar zeker wen ik aan het idee. Daten met mannen, het hoeft voor mij niet meer. Ik ga me nu focussen op mijn vriendin. We zitten nog in de fase van elkaar leren kennen en aan de situatie wennen, maar toch ook weer niet. Ik ken haar tenslotte al ruim dertig jaar. Ik ben het namelijk zelf. Want volgensmij kun je pas van een ander houden, als je het goed hebt met jezelf en van jezelf houdt. Daarom ga ik de komende tijd veel met mezelf daten. Succes gegarandeerd. Wie weet komt ‘die ander’ dan zomaar voorbij. En zo niet, dan heb ik in ieder geval mezelf om van te houden.

De klusjesman

Ik zit op de wc en kijk omhoog. Naar het plafond recht boven mijn hoofd. Dat bestaat uit onafgewerkte houten planken, bij elkaar gehouden door gele tape.

Enkele maanden daarvoor begon het te lekken in mijn badkamer. Vanaf het plafond, recht boven het toilet.
Wat doet een slimme zelfstandige vrouw dan? Die belt, hup hup, de klusjesman. Gelukkig heeft mijn VVE een vaste klusjesman. Michel, een immer goedgemutste en vooral praatgrage Zaankanter.

Michel komt langs. Hij kan de oorzaak niet meteen vinden en besluit het plafond open te breken. “Wat?! Ga je mijn hele plafond er uit halen?” “Nee joh, ‘k boor er gewoon effe een gat in!” Zo gezegd, zo gedaan. Michel steekt zijn hoofd in het gat. “Oh, ik zie het al”, klinkt het opgewekt. “De standleiding is poreus!” Het lijkt alsof hij er blij mee is. “Kom maar kijken!” Voor ik het goed en wel doorheb, zit mijn hoofd ook in dat plafondgat. Ik zie niets bijzonders, behalve een hoop vermolmd hout en ingewikkelde leidingenstelsels. Lang leve een jaren-dertig-huis. “Ja, een héél duidelijke lekkage!”, roep ik maar naar Michel. Als je er geen verstand van hebt, doe je gewoon alsof.

KlusjesmanAls ik weer op de grond sta, krijg ik plots een ingeving: “De standleiding is door de vorige bewoner al vervangen, dus hoe kan deze nu al lekken?!” “Nee schat, dat is de kéééúúúkenstandleiding.” Ach. Weet ik veel dat er verschillende standleidingen zijn. Ik heb wel iets anders aan mijn hoofd dan na te denken over standleidingen. Misschien moet ik eerst eens aan Michel vragen wat dat eigenlijk precies zijn. Want welke normale vrouw weet zoiets nou?

Fout. Dat had ik beter niet kunnen doen. Michel begint een ellenlange verhandeling over nut en noodzaak van standleidingen. Over aansluitstukken, hellingen van 45 graden, vallend water, luchtstromen, ‘ontspannen’ beluchting, stankhinder, lekkage en versleping. Ik zet mijn intelligentste gezicht op en op gezette tijden knik en hum ik. Hij besluit zijn betoog met fijntjes te vermelden dat het vervangen van de standleiding een “kostbare en zeer ingrijpende” ingreep is. Dank je. Dat kan er ook nog wel bij, Michel. Het voelt alsof ik zelf met mijn hoofd in die standleiding heb gezeten terwijl er 100 kuub water doorheen spoelde.

Snel daarna gaat Michel in fases aan de slag. In no time is het hele plafond verdwenen en is mijn badkamer een bouwplaats. Ik pamper hem met koffie en stroopwafels en gelukkig blijkt de oorzaak toch minder erg dan aanvankelijk geschetst. Maar wat ben ik blij als hij klaar is.
Nu moet alleen het plafond nog gestuct en gesausd worden. Daarvoor komt Michel binnenkort weer. Koffie en stroopwafels kan hij van me krijgen, maar ik ga hem géén vragen meer stellen. Want een slimme meid is op haar praatgrage klusjesman voorbereid.

Herfst

De wind raast door de donkere straten en de regen slaat tegen de ramen. Ik zit nog op kantoor, maar ik wil naar huis. De werkdag is voorbij. Er zit niks anders op dan het slechte weer te trotseren. Overnachten op kantoor is ook zo wat.
Na een half uur ploeteren door de opgefokte stad, kom ik thuis. Zeiknat en chagrijnig. Ik haat dit koude, natte, winderige herfstweer. Regen

Nadat ik opgedroogd ben, plof ik op de bank en lees de bijlage van een oude weekendkrant. Er staat een reportage over vluchtelingen uit Eritrea in. Na Syriërs zijn mensen uit Eritrea de grootste groep asielzoekers in Nederland. Velen zwaar getraumatiseerd. Vrijwel allemaal krijgen ze meteen een verblijfsvergunning. Dat zegt genoeg, tegenwoordig.

Eritrea wordt vergeleken met Noord-Korea vanwege de dictatuur. Jongens en mannen moeten voor onbepaalde tijd het leger in. Soms voor de rest van hun leven. Ze verdienen veel te weinig om hun gezin te onderhouden. Daarnaast hebben ze vaak ook nog eens grote schulden bij mensensmokkelaars die een familielid hebben geholpen met vluchten.

De meeste Eritreeërs die het land ontvluchten, proberen in Ethiopië een bestaan op te bouwen. Als dat niet lukt, reizen ze verder door Sudan en Libië naar Europa. Hierbij zijn ze afhankelijk van meedogenloze mensensmokkelaars en de tocht kan maanden tot jaren duren. Het is een periode vol martelingen, bedreigingen, vrijheidsberoving en afpersing, aldus een hoogleraar en Eritrea-deskundige. “Zij die Europa halen hebben onbeschrijflijk fysiek en seksueel geweld meegemaakt.”

Een 25-jarige jongen komt aan het woord. Zijn foto erbij maakt het verhaal nog indringender. Tijdens zijn eerste vluchtpoging, na drie jaar onafgebroken in het leger, werd hij gepakt en in een van de beruchte ondergrondse gevangenissen gestopt. Met twintig personen in een ondiepe kuil in de grond met een metalen deksel er op, in de woestijn. Een luchtgat ter grootte van een baksteen. Staan was onmogelijk. “Toen ik er na vier maanden uitkwam, was mijn zwarte huidskleur lijkbleek.”
De tweede vluchtpoging van de jongen lukte wel. Een bestaan opbouwen in Ethiopië bleek echter onmogelijk. Hij trok verder. Op zoek naar vrijheid en bestaansrecht. Tijdens de reis door Libië heeft hij ziektes overwonnen, gevangen gezeten en vluchtelingen zien sterven van uitputting. Na een boottocht van vijf dagen op de Middellandse Zee bereikte hij Europa. Hij is uiteindelijk terechtgekomen in Zaandam en probeert daar nu een bestaan op te bouwen. “Zodra ik het hoogste niveau van mijn cursus Nederlands heb bereikt, ga ik studeren. Dan kan ik geld verdienen en dat naar mijn moeder sturen.” Die heeft hij sinds het begin van zijn tijd in het leger niet meer gezien.

Ik ben mijn chagrijnige bui volledig vergeten. Mijn hemel. Wat. Een. Ellende.
De volgende keer dat ik met guur herfstweer op de fiets zit, zal ik denken aan het verhaal van deze veerkrachtige Eritreeër. Ik leef in vrijheid en dat is puur geluk. Ook al voelt die vrijheid soms wat nat en winderig aan.

Loslaten

Afgelopen week heb ik elke nacht even gepiekerd. Over bijvoorbeeld de liefde, de zoveelste lekkage in mijn badkamer en de toestand in de wereld.

Een-voor-een ga ik mijn favoriete piekeronderwerpen bij langs. Met als gevolg dat ik de volgende dag moe ben. Mijn collega’s vermoeden misschien leuke nachtelijke uitstapjes als ze me ’s ochtends met kleine oogjes op kantoor zien verschijnen. Maar niks daarvan.

Ik zou dus beter overdag kunnen piekeren. Op dat bewuste kantoor bijvoorbeeld. Als je 8 uur lang aanwezig bent, kun je best wat tijd vrijmaken om te piekeren toch? Al is het maar een kwartiertje. Piekeren in een mooie lichte ruimte lijkt me ook gezonder dan in een donkere slaapkamer driehoog achter.
Of piekeren in een koffietentje met een flink stuk chocoladetaart erbij. Dan ben je letterlijk ‘lekker’ aan het piekeren. Wie weet zit de liefde van mijn leven toevallig net naast me aan de koffie, dan is dat piekeronderwerp ook meteen de wereld uit. Zo’n gekke gedachte is dat trouwens niet, dat van die liefde. Want het wemelt van de prachtige, goedgetrimde, welriekende heren in de hoofdstedelijke koffiebarretjes. Alleen jammer dat de meesten niet op mij vallen. En dat slechts omdat ik vrouw ben. Discriminatie. Slapen

Maar er is nog iets beters dan overdag piekeren met koffie, taart en gays. Loslaten. Althans dat lees ik in de Libelle van mijn moeder. En Libelle kan het weten. Loslaten is in. Wie ben ik om de tips van zo’n vooraanstaand instituut in twijfel te trekken.
Alleen, wat moet ik dan precies loslaten? Houd ik dan nu iets vast? En hóe laat ik dan los? En wanneer? Doe je zoiets in één keer, of laat je in stapjes los? Elk onderwerp apart? En als je iets hebt losgelaten, komt er dan iets anders voor in de plaats? Of blijft er een holle ruimte over? Ik wil ook weer geen leeghoofd worden. Want om nou nooit meer over de toestand in de wereld na te denken, lijkt me ook niet zaligmakend. Theoretisch snap ik dat hele concept “loslaten” best wel, maar zoiets abstracts in de praktijk brengen, dat is een tweede.

Vriendin X. zou dit weekend naar een workshop “Loslaten” gaan. Zo makkelijk is het kennelijk niet, als je er speciale workshops voor hebt.
Zij versliep zich echter rijkelijk, waardoor ze de workshop miste. Als dat geen loslaten is. Geen workshop meer nodig, deze vriendin. Ik zou een voorbeeld aan haar kunnen nemen.

Ik denk dat ik dus ook maar ga proberen los te laten. Wat en hoe precies, dát weet ik nog niet. Denk dat ik daar vannacht even over ga piekeren.