Ik ga naar Stefan toe

Laatst las ik een interview met een schrijfster uit New York. De journalist vroeg of vreemden een belangrijke rol in haar leven speelden. De schrijfster beaamde dat: ‘Ik woon alleen. Als je boos of verdrietig bent, bel je niet meteen iemand op. Dan neem je jezelf maar mee naar buiten, de straat op. Daar verdwijnen donkere gedachten en eenzaamheid. Het zien van vreemden is vaak héél helend.’

Ha!, dacht ik. Daar zit wat in! Ik wandel ook graag door de stad. Gedachten de vrije loop laten of gewoon wat om me heen koekeloeren. Soms ontmoet ik daarbij ook vreemden, zoals laatst een stelletje dat voor me liep. Ik liep een tijdje geruisloos achter ze, totdat zij haar voet op een bankje zette. Hij ging braaf haar veter strikken. Toen ik passeerde, keek hij beschaamd op. Ik moest lachen en vroeg: ‘Heb je misschien nog een broer?!’ Helaas. Had ‘ie niet.

Maar wat eigenlijk nog beter werkt dan deze vluchtige ontmoetingen, is boodschappen doen. Zoveel aardige kleine ondernemers bij mij in de buurt die ik inmiddels persoonlijk ken. Meestal gaat het om boter, kaas en eieren, maar laatst had ik een wat meer bijzondere boodschap te doen.

In het trappenhuis thuis was een stop doorgeslagen. Op naar de winkel. Naar de ijzerwaren-  annex doe-het-zelf-zaak aan de Overtoom. Achter de kassa stond een stevige vrouw, van het praktische soort. Oude spijkerbroek, vale trui, pittig kort kapsel. Grote handen met eelt. Ik liet haar de stop zien. Mezelf kennende zou ik anders toch geen details over soorten en maten kunnen noemen. ‘Wat?!’, riep ze uit, ‘2 ampère?!’ ‘Euh… tsja’ Meer kon ik er niet over zeggen helaas.

Ijzerwarenwinkel Overtoom

Intussen was ze op haar knieën voor het onderste laatje van een grote kast gaan zitten. ‘Nee, alleen 16 ampère.’ ‘Steeeeefffaaaáán!!’, gilde ze. Vanuit het niets kwam er een vrolijke jongeman met heldere blauwe kraaloogjes aan. Dit was kennelijk Stefan. Hij verwonderde zich ook over de 2 ampère. En begon me vervolgens met zwaar Zaans accent uit te leggen dat 2 ampère waarschijnlijk van een gezamenlijke stroomvoorziening in een trappenhuis was. Bewust zo laag zodat mensen geen stroom gingen aftappen. Leer Stefan de Amsterdammers kennen. Slot van het liedje was dat hij me doorverwees naar een nog specialere speciaalzaak.

Lang leve Stefan. Bij deze speciale speciaalzaak heb ik stoppen van 2 ampère gescoord. Het doosje moest weliswaar uit een stoffige kelder komen, maar toch, ik was er blij mee.
Op de terugweg passeerde ik de zaak aan de Overtoom weer. Ik dacht ‘weet je wat, ik ben in een goede bui, ik ga even melden dat het gelukt is’. Ik zwaaide de deur open. Stefan stond achter de kassa een klant te helpen. Ik stak mijn duim naar hem op. ’t Is gelukt!!’ Hij stak ook z’n duim op en riep: ‘Oké! Ik zal het tegen mijn moeder zeggen!’ Och, wat een schatten, deze mensen. Zo aandoenlijk.

Als de stoppen weer een keer doorslaan bij mij, letterlijk of figuurlijk, weet ik waar ik naar toe moet. De straat op, richting Overtoom. Zo snel mogelijk naar Stefan en z’n moeder. Werkt héél helend.

 

Ik wil verhuizen

Laatst had ik een feestje. In Houwerzijl. Ja, dat is een eind verwijderd van de bewoonde wereld. Het ligt in Noord-Groningen, vlakbij de welbekende plaatsen Doodstil, Moddergat en Zuurdijk. Dat verduidelijkt het misschien.

Na een paar lekkere drankjes piepte ik er even tussenuit. Want ik wilde wel iets meer van Houwerzijl-city zien. Een puik idee, want het bleek een heel schattig dorpje te zijn. De tijd had er stilgestaan.

Al wandelend genoot ik van de pittoreske omgeving, de kleine straatjes, de huisjes met rode daken, de grote buitenplaatsen en de ruime tuinen met veel groen. Ik nam een flinke teug frisse lucht.

Koeien

En toen ging het mis.

Ik dacht plotseling: “Ik wil hier ook wonen!” Weg met die vieze vuige stad waar het vaak net een open inrichting is.
Mijn fantasie sloeg vollédig op hol. Ik zag mezelf al wonen in zo’n schattig klein huisje. Een Huisjerood-wit geblokt tafelkleedje op tafel en kanten gordijntjes voor de ramen. Een soort Hans- en-Grietje setting. Met natuurlijk een grote tuin met weelderige bloemen en mijn zelfgekweekte groente en fruit. Hartstikke mindful, lekker wroeten in de aarde. Weg met yoga-klasjes en dubbele latte macchiato’s. Nee, Houwerzijl was beslist geen gek idee besloot ik.

Terug in de trein naar Amsterdam was ik helemaal vol van dit plan. Het leek me goed om eens op Funda te bekijken, want een huis zou de hoogste prioriteit hebben. De huizenmarkt in Houwerzijl echter, bleek nog oververhitter te zijn dan in Amsterdam. Er stond namelijk niet één huis te koop. Niet 1, uno, iets. Niets. Zelfs geen schuur, garage of kelder.

Dat bracht het eerste scheurtje in mijn fantasie. En wat me vervolgens ook niet zo lekker zat, waren mijn aardige buren in Amsterdam. Die zou ik dan ook definitief gedag moeten zeggen. Met mijn bovenbuurvrouw deel ik lief en leed en vooral de laatste buurtroddels. Met een andere buurvrouw ga ik geregeld wandelen en pizza eten. Mijn buurman naast me heeft me laatst geholpen bij een gaslek en de onderbuurman roept dagelijks naar me: “Lekker weer hè buuf??!” Weer of geen weer. Wilde ik dit dorpse stukje stad wel achter me laten?

Net als mijn vaste koffiebar waar de taartjes zo lekker zijn, de vele culturele
uitgaansmogelijkheden, de grachten en parken, de Marqt, de knappe mannen op straat, Taartm’n bij tijd en wijle hilarische collega’s. En de Amsterdamse ‘humor’. Zeg je “goeienavond” tegen iemand, zegt die terug: “Nou, dat mag ik wel hopen ja!”

De trein had mij inmiddels uitgespuugd in die vieze vuige stad. Al fietsend passeerde ik de bloemenstal vlakbij m’n huis. “Haaai schètt, ’t leven is maaauujer met jauww”, riep de bloemenman terwijl hij een rode roos ferm de lucht in stak mijn kant op.
Houwerzijl. Leuk, maar nu nog niet. Het leven in een open inrichting is toch net even wat spannender dan in de besloten omgeving van Doodstil.

Ik heb een klacht

Ik heb een klacht. Overal waar ik kom in Amsterdam, gaat de brug open. Onzin zou je denken; je overdrijft, maar nee. Er zijn namelijk 1539 bruggen in Amsterdam. Waarvan 252 in het centrum. En ze gaan echt vaak open! Kortom, een gegronde klacht, al zeg ik het zelf. En ik heb nog eens extra pech.

Tussen mijn huis en de stad ligt namelijk de Kostverlorenvaart. Ga ik vanuit huis linksaf
richting stad, dan sta ik onherroepelijk stil bij de brug bij de Kinkerstraat. Ga ik rechtsaf,
dan moet ik steevast wachten bij de Overtoom. Menig appje heb ik al verstuurd vanaf deze locaties: “Grrrr, brug open, ben 5 min later.” De Rijn is qua scheepvaartdrukte niets
vergeleken bij de Kostverlorenvaart. Vrachtschip na vrachtschip komt voorbij, volgeladen met zand of auto’s. Geen idee wat we midden in de stad met zoveel zand en auto’s moeten, maar er zal vast een hoger doel achter zitten.

Het tafereel gaat vaak zo: ik kom aanfietsen en de alarmbellen beginnen te rinkelen. De
slagbomen blijven echter gewoon open. Provinciaal als ik ben, durf ik toch niet meer door te rijden. Hordes mensen hebben wél lef en lopen of fietsen stoïcijns door. Inmiddels dalen de slagbomen. Nóg steken mensen de brug over. Aan de overkant een gillend groepje pubermeisjes en aan mijn kant kruipt een junk onder de slagboom door en lacht me tandeloos toe: “Ken prima, schèt.”
Brug in Amsterdam
Ik posteer mezelf zo ongeveer met mijn neus tegen de slagboom. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt. En nóg presteert een kerel het om zich even later met fiets en al tussen mij en de slagboom in te wurmen. Dames gaan in Amsterdam kennelijk niet meer voor. Intussen passeert het vrachtschip. Ludovica heet ze. Toeristen nemen foto’s van het schip; selfies met zichzelf vol in beeld. Zodra Ludovica voorbij is en de brug weer geopend, stuift de massa weg. Tringelende trams, fietsers, voetgangers, auto’s; alles kriskras door elkaar: de chaos is compleet. Survival of the fittest.

Laatst dacht ik slim te zijn toen ik zag dat de brug weer eens open ging. Ik had geen zin om lang stil te moeten staan. Nee, ik zou een lekker visje gaan halen bij de visboer naast de brug. Ik werd geholpen door de vrouw van de visboer, die me in elke zin aansprak met ‘dame’. Meneer de visboer besloot zelf ook klanten te gaan helpen en zei tegen de man achter me: “Jongeman, zeg het maar!”. De man keek rond en zei grappend: “U zult mij wel bedoelen?!”. Ik moest toch op de brug wachten dus ik mengde me ook maar in het gesprek: “Tsja, ík voel me niet aangesproken.”. We lachten allevier en grapten nog wat door. Al knipogend naar mij liep de jongeman na z’n aankoop weg, de lange wachtrij voor de open brug in.

Bij nader inzien hoeft wachten bij een brug niet per definitie vervelend te zijn. Je ziet nog
eens wat, dus eigenlijk mag ik blij zijn met die 1539 Amsterdamse bruggen. Ik trek mijn klacht maar weer in.

Naar de kapper

Afgelopen week las ik in de Amsterdamse uitkrant een artikel over kappers. Correctie. Het artikel ging over winkels, barretjes en fietsenmakers waar óók je haar geknipt kan worden. Het zijn zogenaamde ‘beleveniskappers’. “Louter knippen is passé”, volgens het artikel.

Hartstikke leuk, dit soort initiatieven. Maar ik moet bekennen dat ik nog geen klant ben van zo’n ‘beleveniskapper’. Ik heb al jarenlang halflang tot lang haar. Bij elk kappersbezoek is het recept: “Doe maar een stukje er af.” “Ja, in laagjes, ja.” Ik heb al heel wat gapende kappers gezien. Laat staan dat zo’n écht hippe kapper annex fietsenmaker annex wijnbar annex boekenwinkel lol aan mij zal beleven.

Kapper

Helaas voor deze entrepeneurs is er nóg een heel grote groep vrouwen waar de knip-belevenis niet centraal staat. De vrouwen met Kort Pittig Kapsel. Ja, bewust met hoofdletters, zo heet namelijk de roemruchte groep op Facebook. Dames met namen als Jos, Helma, Paula en Miranda tonen er vol trots hun Kort Pittige Koppie. Hun kapsel laat zich het beste omschrijven als opgeschoren aan de zijkant en stekels bovenop. ‘Stiekels’, zoals we vroeger in Drenthe zeiden. En bij voorkeur zijn de stekels koperrood geverfd. Soms bevat het korte kapsel een langere lok, strak en scheef over het voorhoofd getrokken.
Om de pronte boezem dragen deze dames een felgekleurd en druk gedessineerd tricot tuniek van Miss Etam. Verder naar beneden een witte driekwart legging. Waar je deze pittige types tegenkomt, behalve op hun eigen Facebookpagina? Nou, bij de Huishoudbeurs bijvoorbeeld, met de rolkoffer vol gratis goodiebags.

Over vroeger gesproken; vriendin C. en ik waren in onze studententijd altijd doodsbang voor het moment dat we later een jas met afbeelding van een bloem of beertje Paddington op de achterkant zouden gaan dragen. En een kapsel met ‘stiekels’ zouden hebben. Want ons studentenbrein dacht dat je dat nou eenmaal deed en had, als je de dertig gepasseerd was. Zowel C. als ik zijn inmiddels in volle glorie de dertig gepasseerd en dragen géén jas met een beertje of bloem achterop en hebben géén kort, pittig kapsel.

Misschien zou ik, om het Kort Pittige Kapsel voor te blijven, toch maar eens naar Kappereen ‘beleveniskapper’ moeten. Nu ik erover nadenk vind ik het eigenlijk ongelijkwaardig
dat de Kort Pittige Vrouw niet haar eigen ‘beleveniskapper’ heeft. Geknipt worden met een glaasje Apfelkorn in de hand, een live concert van Frans Bauer en na afloop een rolkoffer met beautycadeautjes mee naar huis. Er is markt voor, als ik om me heen en op Facebook kijk. Maar ik sla deze kapper voorlopig met liefde over. Het is mijn tijd nog niet, denk ik. Hoop ik.

Een burgerlijke kerst

Vorige week maakte ik een pauzewandeling tijdens mijn werkdag. Zitten is het nieuwe roken tenslotte. Ik wandelde op mijn gemak door de Amsterdamse wijk Tuindorp Oostzaan, vlakbij mijn werk gelegen. “Rondje Tuindorp” noemen mijn wandelcollega’s en ik deze route.

Tuindorp is een voormalige arbeiderswijk. Je ziet er kleine lage huisjes van rode baksteen, met een puntdak en kitscherige vitrage. Veel prullaria in en om het huis, zoals porseleinen poesjes en tuinkabouters. Kleine hondjes. Grote auto’s. En wat doen de Tuindorpers in de periode voor Kerst? Het huis versieren. En de tuin.
Geloof me, daar wordt niet op bezuinigd. Ik telde heel veel kerstmannen, -kransen en -slingers, hysterisch knipperende lichtjes in de meest exotische kleuren en grote, volgehangen kerstbomen. Veel bling bling en kitsch, dat vat de situatie goed samen denk ik.
Ik stel me voor dat in die periode de belangrijkste vraag is welke kleur kerstballen in de mode is. En of de kerstversiering van de buren niet mooier en grootser is dan die van jou.

Ik versier mijn huis nooit met Kerst. De tuin ook niet, want die heb ik niet. Het voelt voor mij toch wat burgerlijk als ik dat zou gaan doen. Ik ben jong, dynamisch, het Nederlandse equivalent van Bridget Jones en woon in de grote stad. Dan doe je zoiets niet, is mijn overtuiging. Het lijkt me meer iets voor gezinnen in Almere of in een Tokkies-wijk.
Of wil ik stiekem eigenlijk niet geassocieerd worden met mensen die volledig los gaan met zoiets simpels en kitscherigs als kerstversiering? En als extra hindernis lig ik dan ook nog liever lui op de bank dan met een kerstboom door de straat te moeten slepen. Kortom, ook dit jaar weer niks bijzonders te zien in mijn huis.

Kerst

Maar afgelopen weekend was ik bij een paar verschillende vriendinnen op bezoek. Zij hadden allemaal hun huis aangekleed met een kerstboom en wat kerstversiering. En dat vond ik eigenlijk toch wel gezellig en sfeervol.
Toen ik er nog iets langer over nadacht; vond ik vorige week al die lichtjes in de Amsterdamse binnenstad en horeca niet heel erg leuk? Ik zei nog enthousiast tegen een vriendin hoe mooi de stad wel niet was op dit moment. Wat ben ik hypocriet zeg, bah.

Misschien moet ik me dan er ook gewoon maar aan overgeven.
Het stukje burgerlijkheid in mij bevrijden en zorgen voor wat licht en bling bling in huis. Er is ellende genoeg in de wereld, dus waarom niet even de boze buitenwereld buitensluiten en je bezig houden met iets simpels en vrolijks? Ik moet niet zo streng zijn door dit voor mezelf af te keuren, en het voor anderen goed te keuren. Of stiekem zelfs toe te juichen.

Die Tuindorpers hebben dit allang door. Die schamen zich nergens voor en genieten gewoon van hun uitbundige versieruitspattingen. Ja, ik ga een voorbeeld aan hen nemen, het kan nog nét. Zometeen sjees ik naar de stad en koop ik een rendier met lichtjes in zijn gewei en een setje kerstballen. Maar eerst even uitzoeken welke kleur kerstballen dan precies in de mode is. Misschien moet ik een omweg via Tuindorp maken.

BN’er

Deze week is het de Week tegen Eenzaamheid. Zoiets geeft je stof tot nadenken. Voel ik me wel eens eenzaam? Hoeveel vrienden heb ik? Of zegt een getal helemaal niks?

Toen ik verhuisde naar Amsterdam, zeiden sommigen dat ze de ‘grote stad’ zo anoniem vonden, het leek ze erg eenzaam. Iedereen heeft haast en er is niemand die je aankijkt of groet. Ik vind het erg meevallen. En létterlijk eenzaam ben je nooit, met al die mensen om je heen op straat. Vooral in mijn eigen buurt kom ik veel bekenden tegen. En waar je over struikelt in Amsterdam, zijn BN’ers. Het lijkt hier wel een Bekende-Nederlanders-Reservaat. Je doet iets fout als je hier woont en geen BN’er bent, denk ik weleens. Aan de andere kant, iedereen kent wel íemand, dus iedereen is -voor iemand- een Bekende Nederlander. Een opbeurende gedachte.

Wie ik voortdurend tegenkwam in de buurt waar ik eerst woonde, was acteur Cees Geel. De eerste keer dat ik hem zag, was ik erg onder de indruk. “Zomaar bij mij in de buurt! Een echte BN’er, van de televisie!” Uiteraard heb ik mijn gezicht in de plooi gehouden. Ik was toen al drie weken een stoere hoofdstadbewoner tenslotte. Die nooit iemand aankijkt of groet. Maar inwendig juichte ik. Meteen heb ik een berichtje gestuurd naar vriendin M., die ook kickt op BN’ers. Ja, dit was nieuw voor mij, vergeef me mijn provinciale kneuterigheid. In mijn vorige woonplaats Groningen kwam ik slechts Bert Visscher tegen. En die ben je na drie ontmoetingen ook wel zat.

Je zou het niet verwachten, maar ik heb me ook wel eens BN’er gevoeld. Ga op reis naar Iran en je snapt wat een BN’er meemaakt. Overal waar we kwamen werden we aangestaard, aangesproken, werd er gefluisterd en omgekeken, werden er telefoonnummers gevraagd en foto’s gemaakt. Het hoogtepunt vond plaats toen we een moskee passeerden waar een lange rij mannen en jongens stond. Joelen, klappen en juichen. Pas na een uur waren we die moskee voorbij. Een heel bijzondere ervaring.

BN’er zijn voor een paar weken is dus best leuk. Het échte BN’er-schap daarentegen lijkt me toch niks voor mij. Ik waardeer juist de anonimiteit van de grote stad. Ik wil in mijn huispak naar de supermarkt kunnen, zonder dat meteen in de bladen staat: “Breaking: Marion Vetter doet haar boodschappen in groene trainingsbroek met gele strepen! En belangrijker: wie is die onbekende man aan haar arm?!” Nee hoor, laat mij maar lekker ‘eenzaam’ naar de supermarkt gaan.
En in het kader van de Week tegen Eenzaamheid zal ik deze week extra uitbundig zwaaien naar mijn hoogbejaarde overbuurvrouw. Ik ken haar niet heel goed, maar zij is wel een Bekende Nederlander. Bekend bij mij.

Wat moet ik doen?

Vorige week zaterdag keek ik uit het raam. Lekker ontspannend. Totdat mijn oog viel op een dikke jongen.

De jongen stond vanaf de straat voorovergebogen in zijn auto te graaien. Links en rechts naast zich gooide hij afval neer. Wat is dit nu weer voor idioot, dacht ik bij mezelf. Maar toen kwam hij overeind en greep naar z’n kruis. Nog voordat ik goed en wel met mijn ogen kon knipperen, stond de dikkerd midden op straat te plassen.

Ja, te plassen. Midden op de rijbaan, geen boom te bekennen. Hij tilde z’n jongeheer nog wat hoger op zodat er een straal met grote boog ontstond. Klaterend kwam zijn plas op straat neer. Hij keek triomfantelijk in het rond.

Ik zag het aan en was met stomheid geslagen. Welke idioot gaat er nu midden op straat staan pissen? Tegelijkertijd werd ik boos op mezelf. Waarom laat ik dit gebeuren? Intussen stapte de jongen in zijn auto en reed scheurend weg.

Moedeloos streek ik neer op de bank. Maar plots moest ik denken aan Hilleke. Hilleke Keereweer, een 80-jarige struise dame die de voedselbank in Amsterdam-Osdorp bestiert. Zij zou wél raad weten met zo’n straatpisser. Ik denk dat ze hem bij kop en kont had gepakt en zonder pardon in de gracht had gegooid. Hilleke
Het Parool wijdde onlangs een mooie reportage aan Hilleke Keereweer. Deze daadkrachtige senior stuurt met verve twintig vrijwilligers bij de voedselbank aan. Ze doet oproepen via kerkbladen en lokale kranten: wie kan er nog melk, kaas of knuffelbeesten missen? Of als een klant in een crisis blijkt te zitten, kijkt ze met hulpinstanties of ze kan helpen.

Dit vrijwilligerswerk bij de voedselbank doet Hilleke al 10 jaar. Andere banen heeft ze nooit zo lang volgehouden.
Als twintiger woonde ze aan de grachtengordel en zou ze gaan trouwen. Drie weken voor de grote dag had de aanstaande bruid er ineens geen zin meer in. Ze blies het huwelijk daarom af. “Met mannen was het net als met banen, na een tijd was ik er weer klaar mee.” Kijk, dan heb je lef hoor.

Ik moet dus gaan werken aan mijn innerlijke ‘Hilleke’. Gelukkig heb ik nog 47 jaar om te leren net zo kordaat te worden als zij. Als ik straks op mijn 80ste zo’n pissende stumper tegenkom, weet ik wat me te doen staat. Hopelijk voor dat kereltje is er dan geen gracht in de buurt.

Beschermheer

Ik erger me er al jaren aan: pizzakoeriers en andere snelheidsduivels op twee wielen die heer en meester zijn in de straten van de stad. Amsterdam is net het Wilde Westen af en toe, je bent je leven niet zeker. Wie beschermt ons, argeloze fietsers en voetgangers, tegen die scootermaffia?

Terwijl ik hierover peins, hoor ik mijn overbuurman bulderen. Mijn overbuurman, Henk Hunebed. Zo heet hij niet, maar hij heeft wel een naam die zo allitereert. Henk is groot, grof gebouwd, heeft handen als kolenschoppen en een bulderende stem die je drie straten verderop nog hoort. Zo robuust als, ja als een hunebed eigenlijk.

Ik gluur naar buiten. Tegen wie gaat hij nu weer tekeer? Tegen zijn favoriete slachtoffers: scooterboys die bij hem over de stoep racen. Een paar panden naast hem zit een coffeeshop, dus dat gebeurt nogal eens. Lekker makkelijk over de stoep, denken die gastjes. Maar dan hebben ze buiten Henk Hunebed gerekend. Deze man laat niets zomaar passeren. Letterlijk en figuurlijk niet.

Henk schreeuwt luidkeels een manneke op een scooter na, die natuurlijk al ruim 100 meter verder is. Inwendig prijs ik Henk om zijn moed. Hij durft mensen tenminste tot de orde te roepen. Niet geheel ongevaarlijk in Amsterdam. Tot mijn grote schrik keert de scooterboy zich om en komt tergend langzaam teruggereden. Alles in zijn houding straalt provocatie en confrontatie uit. Ik kruip achter mijn gordijn. Dit kon wel eens verkeerd aflopen. Henk gaat er breeduit voor staan. Kom maar op, straalt hij uit. Het lijkt zelfs of hij er zín in heeft. Benen wijd. Kin omhoog. Borst, en vooral imposante buik, vooruit.

“Hauh es op mitt auver die stoep scheeeuuuruh! Idijaut!”, schreeuwt hij in onvervalst Amsterdams tegen de jongen die drie koppen kleiner is. Een verhitte discussie met veel armgebaren volgt. Zowel Henk als de jongen doen een stap dichterbij. Ik ruik de testosteron, de stoep is veranderd in een arena. Het lijkt te escaleren. `O jee, als dat ventje maar geen wapen pakt`, flitst het door me heen. Ik zie Henk al in een grote plas bloed liggen. Wat moet ik dan doen?
Uiteindelijk kiest de coureur eieren voor zijn geld. Een verstandige keuze. Van Henk win je niet.

Dus, beste fietsers en voetgangers, er is hoop voor ons. In één straat van de stad worden wij in ieder geval beschermd tegen racemonsters. In mijn straat. Door Henk, de bulderende buurman.