Gluren bij de buren

Ik mag graag gluren.

Ik zeg het maar eerlijk, want zo is het nou eenmaal. Bij elke huiskamer zonder luxaflex, móet ik stiekem even naar binnen kijken. Mijn vriend vindt het niet kunnen, maar ik doe het gewoon.

Ik gluur ook vanuit mijn eigen huis. Gluren bij de buren. Vooral ’s avonds kijk ik graag naar de overkant van de binnentuinen, recht bij een stelletje naar binnen. Ik kijk uit op hun woonkamer en ze hebben geen gordijnen. Een feest voor een gluurderig type als ik! Niks leukers dan huiselijke taferelen te bekijken: tv, kaarsje, dinertje, vrienden op bezoek. Dat werk. Niks spannends, maar toch interessant om ’s avonds stiekem tussen de luxaflex door te koekeloeren.

Ik weet zelfs de namen van deze mensen: Frederik en Jetty. De reden dat ik ze bij naam en toenaam ken? Toby. Een dikke grijze kater, formaat mini-varken.

Het lijkt een goedaardig en sullig beest, maar schijn bedriegt. ’s Nachts vecht hij er met andere katten op los in de binnentuinen. Dat gaat er bepaald niet zachtzinnig aan toe, het gekrijs houdt iedereen rondom de binnentuinen wakker. Daarnaast is Toby ook avontuurlijk, hij steekt geregeld een paar dakterrassen over en belandt dan op de terrassen aan mijn kant. En durft vervolgens niet meer terug. Vandaar dat Frederik al meerdere malen met kattenreiskoffer en brokjes bij mij voor de deur heeft gestaan. Ja, via Toby leer je je buren écht kennen, in plaats van alleen maar naar ze te gluren.

Toen ik laatst een keer ziek was en dus alle tijd had om ook overdag te gluren, zag ik dat het interieur van Frederik en Jetty er heel anders uit zag. Ik dacht: “Huh, ze zullen toch niet zomaar verhuisd zijn?” Tegelijkertijd realiseerde ik me dat ik dikke Toby ook al een tijd niet meer had horen krijsen ’s nachts. Ik keek nog eens beter; de racefiets van F. op het balkon was weg en er stond een grote onbekende plant in het midden van de kamer. Ja, dit alles was verdacht. Ik appte onmiddellijk mijn buurvrouw, hier moesten we meer over te weten komen. We noemen elkaar vaak Sherlock [achternaam], dat zegt genoeg.

Daadkrachtig als ze is, ging ze meteen op onderzoek uit. Via het wereldwijde web vond Sherlock Bovenbuuf uit dat Frederik met zijn bedrijf nog steeds geregistreerd stond op het welbekende adres. Ook zag ze dat de kattenladder nog aan het balkon hing.

Vakantie, was haar conclusie. En een nieuwe plant gekocht.

Die nacht werd ik wakker van een hels kabaal en gekrijs. Mijn vriend mompelde geïrriteerd: “Pffff daar heb je die vechtende katten weer.” Het maakte mij niet veel uit, want ik besefte dat ik mooi weer kon gaan gluren naar de huiselijke taferelen bij Dikke Toby & co. Maar daar snapt mijn vriend natuurlijk helemaal niets van.

Het kan nog erger

Tuinieren is nooit mijn hobby geweest. Dat gefröbel met plantjes en bloemen. Ingewikkeld en burgerlijk dacht ik. Zelfs een cactus liet ik in no time doodgaan. Maar inmiddels ben ik om. En misschien ook wel burgerlijk. Ik zeg nu namelijk als het regent: ‘Ha, goed voor de plantjes!’ In plaats van: ‘Wat een k-weer.’

Het begon met de ouwe plantaardige meuk die de vorige bewoner op het balkon had achter gelaten. Op een gegeven moment begon ik me daar toch aan te storen. Ik dacht dit kan beter en vooral netter. Dus sleepte ik mijn broer mee naar het tuincentrum. Niet vanwege zijn botanische kennis, maar omdat hij een auto heeft. Ik kocht er één (1) hortensia. Livin’ on the edge. Die hortensia stond al gauw te shinen als een malle. Dat smaakte naar meer.

Niet veel later stond mijn hele balkon vol. Dit was pas het begin voelde ik. Ook op het dakterras heb ik toen schoon schip gemaakt en de boel opgevrolijkt. Maar ik wilde meer. Groter. Kleurrijker. Dus ben ik op straat verder gegaan met een aantal potten naast de voordeur. Geraniumpje hier, petuniaatje daar. Tralalalalalaaa.

De volgende stap was een heus tuintje. Hier stopt het avontuur dacht ik, want een tuin heb je niet op driehoog achter. Mispoes. Er was wel degelijk een tuintje in mijn buurt. Weliswaar niet voor mijn huis, maar voor dat van buurman J. Er stond geen groen goud in, dus dat tuintje heb ik gekaapt. Guerilla gardening. Mooie trend.

Terwijl iedereen op Tweede Kerstdag aan het uitbuiken was van de kerstdis, stond ik te graven. Ik had namelijk een groots plan met dat geveltuintje. Tulpen, ik wilde tulpen. Meteen ook maar wat narcisbollen geplant, als ik toch bezig was.

En voilà! In maart staken de eerste steeltjes boven de grond. Euforie! Al snel bloeiden de
tulpen en narcissen weelderig en kreeg ik complimenten van mijn buren over het vrolijke tuintje.

geveltuin_kleinTotdat het noodlot toesloeg. Twee weken geleden zag ik ’s ochtends dat mijn halve tuintje verwoest was. Tulpen waren afgeknaagd en lagen verspreid over de stoep. Narcissen waren uit een pot gerukt en ook een geranium was gemolesteerd. Potverdorie! Mijn mooie tulpen, bruut weggerukt door een vogel, kat of rat. Ik besloot de troep maar op te ruimen en het tuintje een beetje te herstellen.

De overburen parkeerden op dat moment net hun auto bij mij voor de deur. Mario & Truus, Ras-Amsterdammers met een pitbull én een teckel. “Godverdórie, nu kennuh we alwéér niet voor de deur parkeeeruh”, schetterde Truus. Ze heeft een stem als een bootwerker en is even breed als lang. Ik lachte inwendig, de auto stond namelijk op 6 meter afstand van hun voordeur. Ik liet ze met een sip gezicht de gemolesteerde tulpen zien. Truus ontstak nu helemaal in een woedeaanval. “En ik vond je tuintje juist soooo maaauuuii!!” Hè fijn, even wat begrip.

Die avond vertelde ik mijn First World Problems aan vriendin M. Gedeelde smart is halve smart. Na een paar dagen was ik het hele voorval natuurlijk al weer helemaal vergeten. Totdat M. me met Pasen een appje stuurde. Een nieuwsbericht: “Meeuwen vernielen Nederlandse bloemen op het Sint Pietersplein”. Och… Ik weet precies hoe ze zich daar in Vaticaanstad voelden. Het kan dus altijd erger.

Misschien moeten we volgend jaar Pasen Truus met haar pitbull en teckel naar Vaticaanstad sturen als vogelverschrikker. Ze mogen proefdraaien bij mijn tuintje.

 

Het komt door mijn buren

“In een overvolle tram stappen en dat je dan niemand in die tram kent. Dat vind ik het fijnste aan in een stad wonen. Helemaal niemand zit op oogcontact te wachten, niemand hunkert naar smalltalk. Nee, de stedeling zoekt naar privacy in de menigte. In een zwembad kun je synchroonzwemmen, maar in een stad doen ze aan synchroonafzonderen.”

Deze alinea las ik laatst in een column van James Worthy, een Amsterdamse columnist. Ik dacht: ja, daar heeft James een punt.

Amsterdam

Ik hou ook erg van de anonimiteit van de grote stad. Niemand die op je let. Opgaan in de massa. Heerlijk.

Maar toch. Ik woon nu 3,5 jaar in ‘de grote stad’ en het gaat niet goed met mijn anonimiteit…

Dat komt door mijn buren. Ik woon namelijk in een straat waar veel sociale betrokkenheidBuren  heerst. We zijn allemaal nogal bedrijvige mensen, die de hele dag weggaan en thuiskomen. En elkaar dan tegenkomen. We maken een praatje over het weer, het lawaai van de studenten drie huizen verderop, de vermiste poes van buurman V. (“Hij is er hélemaal kapot van!”). En ga zo maar door.

Die betrokkenheid bleek afgelopen weekend ook weer. Tegenover mij woont een zeer oude dame die volledig afhankelijk is van thuiszorg en mantelzorg.
Gelukkig woont haar zoon met zijn gezin boven haar. Het dorp Amsterdam. Mijn bovenbuurvrouw had me al laten weten dat er vorige week een ambulance bij de oude dame voor de deur stond. Dus toen ik zondag thuiskwam en De Zoon haar huis zag uitruimen, schrok ik. Ik dacht, ze zal toch niet…? Ik stapte op De Zoon af. Verzorgingshuis. Het ging niet meer, meldde hij me. Na een praatje en een sterktewens ging ik mijn eigen huis in.

Even later keek ik door het raam naar de groeiende berg grof vuil op de stoep. Wat ook groeide, was de groep buren die om De Zoon heen stond. Zes buren telde ik maar liefst. Ik kon niet horen wat er precies besproken werd, maar het zag er uit als een gezellig tafereel. Het dochtertje van een van de buren speelde met een pan, haar vader rookte een sigaretje, zijn vriendin tilde twee stoelen uit de vuilstapel terwijl er in allerijl een overgebleven blik verf voor de stoelen werd aangereikt. Een andere buurman prutste wat aan zijn elektrische fiets en de vrouw van De Zoon voegde zich ook bij het gezelschap om mee te keuvelen.

Nee, synchroonafzonderen is er in mijn straat niet bij, zeker afgelopen weekend niet. De verdienste van een oude dame. Maar gelukkig is de stad iets groter dan alleen mijn straat. Genoeg ruimte om in de anonimiteit te verdwijnen. En misschien kom ik James daar dan wel tegen. Maar die zit niet op een praatje te wachten, dus ik zal niks tegen hem zeggen.

 

Doe maar gewoon

Ik kijk vaak bij mijn overburen naar binnen. Daar woont een jong stel en ik vind het leuk om te zien wat ze doen. Verder ben ik best normaal hoor. Ik heb alleen last van gezonde nieuwsgierigheid. Of beter: ik houd een oogje in het zeil. Participatiesamenleving avant la lettre.

Ze koken, zitten op de bank voor de tv, aan tafel achter hun laptop. Soms hebben ze vrienden op bezoek. Maken ze ruzie. Gaan de gordijnen ineens midden op de dag dicht. Niks bijzonders dus eigenlijk. Gewoon lekker gewoon. Soms ben ik jaloers op die alledaagse gewoonheid recht tegenover mij.

Gewoon doen. Dat wordt over het algemeen niet erg gewaardeerd heb ik het idee. In interviews met ongewone mensen lees je vaak dat ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ het meest vreselijke aspect van de Nederlandse mentaliteit is. Hup, kop boven het maaiveld en weg met de benepen spruitjeslucht.

Amsterdam als stad heeft meestal niet zoveel last van alledaagse gewoonheid en
dertien in dozijn. De nuchtere noorderling in mij verbaast zich nog vaak genoeg. Zo kun je naar een wenkbrauwbar om je wenkbrauwen te laten stylen. Eten in een hijskraan,
schommelen boven op een toren van ruim 100 meter hoog en een snack halen in een
groentensnackbar.

Schommelen op de A'dam Tower

Maar wat alles slaat, zijn de koffiebarretjes. Ze ploppen als paddestoelen uit de grond tijdens een natte herfst. Met namen als: Coffee Bru, White Label, Koffiesalon, Caffènation, Sixs and Sons en Roasters. En je haalt het niet in je hoofd er een ordinaire Koffie Verkeerd te bestellen hoor. Nee, kéuzes dienen er gemaakt te worden. Bonen uit Ecuador of Ethiopië, groot, middel of klein qua formaat, filter of apparaat, kop of kartonnen beker? Temperatuur, branding, maling. En sojamelk of amandelmelk? De keuzes zijn oneindig. Alleen gewone koffie ontbreekt dus op het menu.

Twee heren die goed op deze rage ingespeeld hebben, zijn Ronald en Arnoud van Vintage
Espresso Machines. Zij tikken oude Italiaanse espressomachines op de kop en knappen ze op. Want waarom alleen koffie drinken bij Coffee Bru, White Label, Koffiesalon,
Caffènation, Sixs and Sons en Roasters? Je wilt ook zo’n tongstrelend bakkie in je eigen casa.

Vintage Espresso MachinesJe kunt de vintage machines vanaf 3500 euro kopen. Dure pleur. Volgens de heren is het
echter een goede investering, want de machines worden alleen maar meer waard. Dat hier vraag naar is, blijkt wel. Kopers staan in de rij en de mannen hanteren een wachtlijst van een half jaar. “Ik ben al drie jaar niet op vakantie geweest. Het is werken, werken, werken”, lees ik.

Sjonge, dat is nog eens goed zaken doen. Wie nu denkt dat het succes Ronald en Arnoud
naar het hoofd gestegen is, heeft het mis. Want er wordt gewoon geluncht met bruine bammetjes met kaas uit de Tupperware-bak en een kop koffie. Of appelsap. Maar op vrijdag hebben ze hun uitje: “Dan gaan we een loempia eten.”

Blijkbaar kun je met de doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg-mentaliteit toch heel
ver komen. En die loempia, die past helemaal in dat plaatje. Doe maar gewoon, dat is al lekker genoeg.

Mijn vakantieliefde

Vorige week was ik op vakantie in Andalusië, met vriendin S. In het kleine appartementencomplex waar we zaten hadden we, op z’n zachtst gezegd, fascinerende buren.

Zoals twee pensionado-stellen, die hele dagen met elkaar communiceerden via het balkon. Met drie huisjes er tussen. “Truuuhhuuussss, wij zijn zo vehèèèrrrr!” “Okééeeeee! We komen er aaaaahaaan, als Henk ook klaar is!” “Okeee, daaaahhaagg!”
“Daaahhaaag!!” Van dit soort conversaties waren wij dus de hele week getuige. Echt waar.

Iets minder makkelijk te duiden waren de mensen tegenover ons. Een trio; twee dames en een heer. S en ik hebben twee dagen lang gefilosofeerd over hun achtergrond. Het ging om een grote dikke man van middelbare leeftijd met een roze korte broek en een roze poloshirt. Een van de vrouwen was eveneens groot, dik en van middelbare leeftijd, met wit hemd en wit kort broekje en kort pittig kapsel. De andere vrouw daarentegen was kleiner, jong, blond, slank en modern gekleed. Onze slotconclusie was dat het een huisvriendin moest zijn, iets anders konden we er niet van maken.

Maar er was iemand die veel meer indruk maakte dan alle pensionado’s en trio’s bij elkaar. Mijn vakantieliefde: Greg. We ontmoetten elkaar bij het zwembad. Het contact begon voorzichtig met wat steelse blikken over-en-weer en een kort praatje.

Vakantieliefde
De dagen er na werd het contact wat intensiever en ook persoonlijker. Je kletst wat over waar je vandaan komt, met wie je op vakantie bent en wat je die vakantie al ondernomen hebt. Geheel onschuldig nog allemaal.

Op een gegeven moment zocht Greg steeds meer toenadering. Het begon ons op te vallen dat telkens als wij bij het zwembad lagen, hij vroeg of laat ook kwam.
De gesprekken verdiepten zich. Hij had het over zijn ouders en broer en later zelfs over evolutie en voortplanting. Wat mij betreft hoefden we het daar niet over te hebben, maar Greg stond er op zijn kennis over dit onderwerp te delen. Ik vond zijn kijk op de evolutietheorie echter wel interessant hoor, dat wel. Het maakte hem eigenlijk nog leuker, niets aantrekkelijker dan een slimme kerel. En toegegeven; zijn mooie grote bruine ogen lieten me ook niet koud.

Uiteindelijk is het bij een platonische liefde gebleven. Ook wel logisch; de vakantie was maar kort en ik was in gezelschap van vriendin S en hij van zijn broer en ouders. Misschien ook maar beter, want zoals dat gaat met vakantieliefdes; uit het oog uit het hart. We hebben ook geen contactgegevens uitgewisseld.
Op de luchthaven zagen Greg en ik elkaar nog in een flits en wisselden we een laatste blik. Maar ik weet eigenlijk niet zeker of hij mij nog wel herkende. Ach, ik neem het hem ook niet kwalijk; Gregje was immers pas vier.

Vreemde vogels

Laatst was ik ziek en daarom kwam mijn moeder op bezoek. Niks fijner dan een beschuitje en kopje thee van je moeder als je ziek bent. Ook al ben je al 33 jaar oud.
Nog voordat mijn moeder goed en wel binnen was en vroeg hoe het met me ging,
riep ze: “Weet je wat ik net zag hier op straat?!” “Nee, geen idee.” “Een man
met zeven teckels aan de lijn!!!” Ik moest mijn moeder teleurstellen, ik zie dit heerschap geregeld met tíen teckels. Inmiddels ben ik daar niet meer verbaasd over. Alles went. Al vraag ik me wel af wat je met tien teckels moet.

Ik zeg tegen moeders dat ik wel vaker vreemde vogels zie bij mij in de straat. En
dan doel ik niet op de grote groene parkieten die de hele stad bevolken.
Zo loopt er vaak een kale donkere man in een geheel wit pak en witte bril langs. Vroeger zou je trouwens gewoon neger zeggen, maar dat mag nu niet meer. Hij draagt altijd een heel grote radio op zijn schouder, waar uiteraard luide muziek uit komt. Zowel
zijn muziek als verschijning zorgen voor een vrolijke noot in de straat. Letterlijk en figuurlijk.

Iemand anders die voor vrolijkheid zorgt, is mijn onderbuurman. Deze beste man is Vogel
immer goedgemutst en heeft één onderwerp waar hij graag over praat. Het weer. Zodra we elkaar tegenkomen op straat, begint hij over het weer. Volgens hem is het elke dag goed weer. Fijn als je altijd één onderwerp paraat hebt om over te praten en zo opgeruimd in het leven staat. Wel zo overzichtelijk. Schrik dus niet als ik binnenkort op een feestje over het weer begin, schijnbaar word je er vrolijk van. Of werkt het andersom, dat een vrolijk persoon graag over het weer praat, bij gebrek aan problemen om over te praten?

Over opgeruimd gesproken: dat kun je van het hoekpand vlakbij mijn supermarkt niet zeggen. Daar woont een man die zijn hele huisje, een voormalig winkelpand, volgestouwd heeft met rommel. Vaak staat de deur open en hij heeft doorschijnende rolgordijnen, dus je kunt alles zien. Van onder tot boven en van links tot rechts: troep. Hoe kun je hier leven vraag ik me af. Wie wat bewaart, heeft wat, schijnt deze man denken. Zou die man met al die teckels dat ook denken? Wel opvallend trouwens dat alle vreemde vogels in mijn buurt mannen zijn. Dit kan geen toeval zijn.

Het beschuitje en kopje thee zijn op. Mijn moeder is helemaal op de hoogte van de vreemde buurtvogels en gaat weer weg. Morgen kan ik niet komen, zegt ze. Dat geeft niet mam, want met dit soort fascinerende mensen in de straat, verveel ik me geen seconde. Je zou je er haast een extra dag voor ziek melden.

Beschermheer

Ik erger me er al jaren aan: pizzakoeriers en andere snelheidsduivels op twee wielen die heer en meester zijn in de straten van de stad. Amsterdam is net het Wilde Westen af en toe, je bent je leven niet zeker. Wie beschermt ons, argeloze fietsers en voetgangers, tegen die scootermaffia?

Terwijl ik hierover peins, hoor ik mijn overbuurman bulderen. Mijn overbuurman, Henk Hunebed. Zo heet hij niet, maar hij heeft wel een naam die zo allitereert. Henk is groot, grof gebouwd, heeft handen als kolenschoppen en een bulderende stem die je drie straten verderop nog hoort. Zo robuust als, ja als een hunebed eigenlijk.

Ik gluur naar buiten. Tegen wie gaat hij nu weer tekeer? Tegen zijn favoriete slachtoffers: scooterboys die bij hem over de stoep racen. Een paar panden naast hem zit een coffeeshop, dus dat gebeurt nogal eens. Lekker makkelijk over de stoep, denken die gastjes. Maar dan hebben ze buiten Henk Hunebed gerekend. Deze man laat niets zomaar passeren. Letterlijk en figuurlijk niet.

Henk schreeuwt luidkeels een manneke op een scooter na, die natuurlijk al ruim 100 meter verder is. Inwendig prijs ik Henk om zijn moed. Hij durft mensen tenminste tot de orde te roepen. Niet geheel ongevaarlijk in Amsterdam. Tot mijn grote schrik keert de scooterboy zich om en komt tergend langzaam teruggereden. Alles in zijn houding straalt provocatie en confrontatie uit. Ik kruip achter mijn gordijn. Dit kon wel eens verkeerd aflopen. Henk gaat er breeduit voor staan. Kom maar op, straalt hij uit. Het lijkt zelfs of hij er zín in heeft. Benen wijd. Kin omhoog. Borst, en vooral imposante buik, vooruit.

“Hauh es op mitt auver die stoep scheeeuuuruh! Idijaut!”, schreeuwt hij in onvervalst Amsterdams tegen de jongen die drie koppen kleiner is. Een verhitte discussie met veel armgebaren volgt. Zowel Henk als de jongen doen een stap dichterbij. Ik ruik de testosteron, de stoep is veranderd in een arena. Het lijkt te escaleren. `O jee, als dat ventje maar geen wapen pakt`, flitst het door me heen. Ik zie Henk al in een grote plas bloed liggen. Wat moet ik dan doen?
Uiteindelijk kiest de coureur eieren voor zijn geld. Een verstandige keuze. Van Henk win je niet.

Dus, beste fietsers en voetgangers, er is hoop voor ons. In één straat van de stad worden wij in ieder geval beschermd tegen racemonsters. In mijn straat. Door Henk, de bulderende buurman.