Kom maar, hoer

Laatst las ik een verhaal op de Correspondent over Maher, een Syrische kapper in Nederland. Hij kwam een paar jaar geleden als vluchteling naar Nederland en heeft in Utrecht in korte tijd een succesvolle kapperszaak opgezet. Met hulp van een kennis, maar vooral met heel hard werken en veel doorzettingsvermogen. Knap.

Kapper Maher uit Utrecht

Ik ben nog niet bij Maher geweest. Mijn vaste kapper is een Nederlandse meid van De Knipbar, hier in de buurt. Dus bij de kapper kan ik niet werken aan mijn interculturele vaardigheden. Maar op een ander vlak heb ik sinds kort wel contact met Syrische mensen.

Hoe dit zo gekomen is? Tsja. Ik ben er min of meer ingerold via een onderzoek van de Correspondent. De redactie van dit journalistieke platform wilde onderzoeken hoe het gaat met mensen die afgelopen jaar in Nederland een verblijfsvergunning hebben gekregen. Leren ze de taal, vinden ze werk, hebben ze sociale contacten? De bedoeling was dat leden van de Correspondent deze informatie zouden gaan verzamelen door contact te leggen met iemand die recent een verblijfsvergunning gekregen heeft. Vervolgens een half jaar lang een keer per maand afspreken en een vragenlijst doornemen.

Zo gezegd, zo gedaan. Via de Facebookpagina van dit onderzoek ben ik in contact gekomen met Aida en haar zoon Akram. Tot een jaar geleden woonden ze in Damascus. Na diverse omzwervingen in Nederland wonen ze nu in Zaandam. Ik ben inmiddels een paar keer bij ze thuis geweest. En dat was een feest: linzensalade, falafel, kokoscake en bladerdeegpasteitjes met feta en spinazie.

We praten Nederlands, dat gaat al heel aardig. Hier en daar help ik ze wat. Andersom hebben Aida en Akram mij al vier zinnen Arabisch geleerd. In de categorie ‘Ik heet Marion. Ik hou van thee.’ ‘Ismi Marion. Ana ouhibou al chaï.’ Ja, ik ben er trots op! En je moet érgens beginnen, nietwaar?

De laatste keer, vorige week zaterdag, verliep echter anders. We spraken niet bij Aida en Akram thuis af, maar op een bijeenkomst van Syriërs en Nederlanders in een buurthuis in Zaandam. Deze maandelijkse middagen zijn bedoeld om te ontmoeten en te informeren. Aida was al een paar keer geweest en had mij nu meegevraagd. “Je neemt geen eten mee hoor, je bent mijn gast!”

En dat heb ik geweten. Na de presentaties over het Nederlandse schoolsysteem en de verplichte participatieworkshops, was het buffet geopend. Acht lange tafels vol héérlijk eten. Rijstschotels, pasteitjes, deeghapjes, cake en nog veel meer. Ik werd naar voren geduwd, want ik was de gast. De kaaskoppen waren inderdaad in de grote minderheid. Ik voelde me alsof ik op vakantie was ergens in het Midden-Oosten.

eten

Terwijl ik genoot van kruidenrijst met rozijnen en pistachenoten, praatte ik met een jongen die even daarvoor als Arabische tolk optrad tijdens de presentaties. Hij sprak vlekkeloos Nederlands. Daarom dacht ik dat hij hier geboren was of in ieder geval in zijn vroege jeugd naar Nederland was gekomen. Niks daarvan. Drie jaar geleden is hij vanuit Syrië in Wormerveer terechtgekomen. Ik complimenteerde hem met zijn uitstekende Nederlands. Hij zei dat hij er heel hard op gestudeerd had en dat het soms wel moeilijk was. Vooral de “klankers”. Hikkend van de lach vertelde hij dat ‘ie in het begin het woord ‘hoor’ vaak als ‘hoer’ uitsprak. Wat voor gekke situaties kon zorgen, knipoogde hij veelbetekenend. “Kom maar, hoer!”

Na afloop van de middag was ik me extra bewust van de vrijheid waarin ik leef. Ik voelde me ook hoopvol. Zowel de tolk-jongen als kapper Maher in Utrecht als mijn kennissen Aida en Akram hebben in korte tijd al veel bereikt in dit vreemde land. Het komt wel goed met hen en vele andere “vreemdelingen” in Nederland.

Gister kwam ik er toevallig achter dat mijn kapper De Knipbar failliet is. Een goede gelegenheid om dan maar eens een afspraak te maken bij Maher in Utrecht. Kan ik mooi mijn vier zinnen Arabisch oefenen, met een lekker kopje chaï er bij natuurlijk. En als ik aan de beurt ben en hij roept naar me: “Kom maar, hoer!”, dan weet ik dat dat niet verkeerd bedoeld is.

Tony

Sinds een jaar heb ik elke week een date met Tony. Ik zou wel vaker willen, maar het is beter om het rustig aan te doen. Mijn vriendinnen weten er van. “Ik heb vanavond een date met Tony” is tegenwoordig een legitieme reden om een afspraak te weigeren. Tony Chocolonely gaat in sommige gevallen gewoon voor.

Voordat ik Tony leerde kennen, at ik eigenlijk nooit chocoladerepen. Af en toe eens M&M’s of wat chocoladekoekjes, vaak met vriendin C. Tot mijn verjaardag vorig jaar. Op die catastrofale dag in 2015 kreeg ik van mijn lieve bovenbuurvrouw een reep Tony Chocolonely. Een gele. Nougat-smaak. Ik weet het nog als de dag van gisteren.

Sindsdien heb ik alle kleuren en smaken wel gehad. Mijn favoriet is de groene met hazelnoot, maar de oranje met karamel en zeezout is ook niet te versmaden. Zelfs de gewone ‘saaie’ melkreep is lekker. En had ik het al over de special gehad? Discokorrels met popcorn! Tony Chocolonely paaseitjes
Op pure chocola ben ik normaal gesproken niet zo dol, maar die van Tony vind ik uiteraard wel lekker. Vooral met pecannoten en karamel. Maar het aller-, állerbeste zijn de paaseitjes, want dan krijg je een echt eierdoosje met alle kleuren Tony er in. Beter wordt het niet.

Mijn nieuwe verslaving is mijn omgeving niet ontgaan. Het zal ongetwijfeld te maken hebben met: “Nee, vanavond heb ik al met Tony afgesproken.”
Toen onlangs bekend werd dat Tony Chocolonely een heuse chocoladefabriek zou gaan openen in Amsterdam, kreeg ik binnen een uur tijd van vijf vriendinnen het bericht doorgestuurd. “Hier! Voor jou! Moet je heen! Heb je al kaartjes?” Dat soort teksten. Best ernstig, vijf meldingen in een uur. En natuurlijk wist ik het zelf allang.

Tony ChocolonelyNaast de fabriek is er nu ook een film over de ontstaansgeschiedenis van het bedrijf. Vriendin M. attendeerde me er op. Ik word dus blijkbaar meteen met Tony geassocieerd. Dat is niet goed voor mijn imago, eerlijk gezegd.

Ik moet af gaan kicken. Het was een heel leuk en vooral lekker jaar met mijn bruine vriend, maar het is nu tijd voor een nieuwe, gezondere verslaving. Een sportschool-verslaving of een sla-verslaving. Een ver-SLA-ving, in dat geval.
Maar voordat het zover is, wil ik eerst die film over Tony nog zien. Lekker in de bioscoop, met een flink stuk bruin goud erbij natuurlijk. Hazelnoot. Of toch maar die heerlijke karamel met zeezout? Misschien zelfs wel allebei, het is tenslotte mijn laatste date met Tony. Maar de liefde, die is nog lang niet over.