Ik laat me niet kisten

Ik denk geregeld na over de dood. Dat komt omdat ik elke dag de rouwadvertenties in de krant uitgebreid doorneem. Raar maar waar. Namen, leeftijden, tekstjes, familiesamenstellingen en -drama’s, allemaal even interessant. “Na een leven vol passie voor zijn gezin, zijn werk, treinen en mooie vakanties, is Henk aan zijn laatste reis begonnen”. Prachtig toch? Hoe zielig ook voor de betrokkenen, ik smul er van. Vooral dat stukje over treinen vind ik mooi. Ik zie deze Henk al voor me.

Toch zet deze interesse me ook aan het denken: wat moet er gebeuren als ik plotseling overlijd? Want ik zie ze voorbijkomen hoor in de advertenties; mensen die zonder aanzien des persoons zó weg waren. Plotseling verdwenen naar de eeuwige jachtvelden. Ik heb niks vastgelegd, dus het wordt maar wat gokken voor mijn naasten. Ik vind dat eerlijk gezegd wel sneu voor ze. Maar ik durf nog geen woord over mijn laatste wensen op te schrijven, dat voelt toch alsof ik het universum indirect verzoek. Ik ben als de dood voor de dood eigenlijk.

Er zijn echter mensen die dapperder in het leven staan, zich minder afhankelijk van het universum opstellen. Tijdens een lange treinreis lees ik een artikel in het Trouw zaterdagmagazine: “Geen angst voor de dood; deze mensen halen hun kist alvast in huis.”

Nou ja zeg, da’s toch ook gek?! Je kist alvast in huis hebben! In Nieuw-Zeeland bestaat er zelfs een vereniging waar je je eigen kist kunt bouwen en versieren. Over rare hobby’s gesproken. In Nederland bestaat zo’n vereniging niet, zegt het artikel. Maar dat weerhoudt de fanatiekelingen er niet van toch alvast voorbereidende werkzaamheden te doen.

Theo (80) heeft bijvoorbeeld zijn kist beschilderd met een Toscaans landschap. Hoe mooi ook, Theo wil de kist het liefst verkopen: “In mijn atelier is maar ruimte voor één kist, en ik zou graag aan de slag gaan met iets nieuws. Als deze weg is, maak ik eerst een zonsondergang, en daarna iets met vlinders.” Theo is klaar voor de dood, maar is er nog lang niet aan toe, concludeer ik. Nog teveel creatieve inspiratie.

Van alle geïnterviewden is Puck (82) het best voorbereid op haar dood. Ze maakt graag
funeraire reizen naar begraafplaatsen overal in Europa, weet al welke tekst er in haar overlijdensadvertentie moet komen te staan en ook de plek van het graf is al bepaald. Maar het bewijs van een piekfijne voorbereiding is dat ze haar kist al in huis heeft, in de vorm van een boekenkast. Een boekenkast ja. Puck staat trots op de foto voor haar boekenkast annex doodskist.

puckPoeh, da’s toch wel wat hoor. Waar nu de boeken staan, lig je dan vroeg of laat zelf. Met je hoofd op de plek van Harry Potter en je voeten ter hoogte van Bridget Jones. Of andersom. Is het dan zo dat elke keer als je een boek uit de boekenkast pakt, je de dood in de ogen kijkt? Vreemde gedachte.

Te vreemd voor mij. Bij deze heb ik besloten dat ik me voorlopig nog niet laat kisten door de dood. Letterlijk en figuurlijk niet. Harry en Bridget blijven rustig op hun plek in de boekenkast. Die gewóón bestemd is voor boeken.

Hoe zeg je zoiets

Een aantal maanden geleden overleed mijn lieve tante Maartje plotseling. Sinds een aantal jaar had ik een hele goede band met haar. Logisch, het was een leuk en inspirerend mens dat altijd wel wat bijzonders beleefde.

Toen mijn moeder belde dat Maartje was overleden, was mijn eerste gedachte: ‘Ik heb haar nooit verteld hoeveel ze voor mij betekende en hoe bijzonder ik haar vond!’. Een verdrietige gedachte. Ik hoop maar dat ze het wel aangevoeld heeft.

Laatst overleed de burgemeester van Amsterdam. Er kwam zoals verwacht een heel circus van lofuitingen op gang. Ik dacht weer over dit thema na. Waarom zeggen of bedenken we pas wat iemand voor ons betekent als het te laat is. Al die mooie woorden in een rouwadvertentie, daar heeft de dode maar weinig aan. Net zomin als aan een prachtige toespraak op een uitvaart.

Terwijl het een mens misschien zo goed kan doen om te weten dat hij/zij eigenlijk best geliefd is. Ik vraag het mezelf in ieder geval weleens af; wat zouden mensen over me zeggen als ik er niet meer ben? Maar ik ga het niet weten, want als ik er niet meer ben, lees ik ook geen rouwadvertenties meer. Denk ik.

De enige optie is, concludeerde ik, mensen bij leven vertellen wat ze voor mij betekenen. Voor het te laat is.

Maar poeh he, hoe zeg je zoiets? Misschien maar even oefenen.

Ik begin natuurlijk bij mijn ouders. Want die staan al 35 jaar voor me klaar. En nóg zijn ze niet moe. Ze steunen me bij alles wat ik doe. Mama vraagt altijd meteen hoe het met me gaat, hoe ik me voel en waar ik mee bezig ben. Papa is meer van het praktische: ‘Doet de verwarming het nog, meid?’ ‘Geeft je fietslamp wel goed licht?’ ‘Rijd je niet in de tramrails?’ Of hij gaat spontaan het trappenhuis stofzuigen. Ja, de taakverdeling bij pa en ma is helder. Ik kan in ieder geval altijd op ze rekenen en daar ben ik ze dankbaar voor.

Mijn twee broers van hetzelfde laken en pak: Aardige gozers, nooit te beroerd om te helpen. Fijn dat ze vanzelfsprekende stabiele factoren in mijn leven zijn.

De categorie vriendinnen is uitgebreid en zeer divers. Poeh, ik mag wel eens een dag gaan zitten om te bedenken wat ieder van hen voor mij betekent en waarom ik zo blij met ze ben. Omdat ik met ze kan kletsen, lachen, huilen, sporten, uitgaan, roddelen, klagen, zwijmelen, fietsen, niks doen, pubquizen en op vakantie gaan in ieder geval. Een onmisbare club meiden, samengevat.

Vriendinnen

En hoe dan verder? Nu wordt het een bij elkaar geraapt zootje: mijn aardige buren, grappige collega’s, de gezellige mensen met wie ik sinds kort padel tennis speel, de klusjesman die me met raad en daad bijstaat, de bijzondere man die er deze zomer plotseling was en korte tijd veel voor me betekende. Nooit tegen hem gezegd. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Ook voor al deze mensen zal ik iets moeten bedenken.

Dat “waardering uitspreken en bedanken” gaat toch echt niet zo’n makkelijke klus worden vrees ik. Het is ook gewoon moeilijk en eng om persoonlijk aan iemand te vertellen wat hij/zij voor je betekent. In die zin vind ik mijn vaders manier van doen helemaal niet zo gek. Verpakt in een praktisch advies je zorgzaamheid en liefde uiten.

Dus, als mijn vriendinnen, collega’s, sportmaatjes, ouders, broers en enkele anderen binnenkort opmerkingen van mij krijgen in de trant van:

* Rijd niet te hard…
* Kleed je lekker warm aan…
* Pas op voor de gracht als je dronken bent…

Dan mogen ze concluderen dat ik om ze geef. En als ik spontaan iemands huis ga schoonmaken, ben ik helemaal dol op de persoon in kwestie.

Praktisch advies aan mezelf: Niet mee wachten tot het te laat is.

Is dat nou wel handig?

Ik hou eigenlijk niet van dieren. Zo, dan heb ik het maar gezegd. Het zat er van jongs af aan al niet in; ik herinner me een foto van toen ik een jaar of 3 was en in de vogelkennel van de kinderboerderij stond. Mijn broers hadden dikke lol en ik stond hard te huilen. Met een groep grote fazanten om me heen. Horror. Op een andere foto sta ik ook al huilend, omdat mijn broer zich in het kippenhok heeft verstopt. Hup, daar ging ik weer. Probleempje uit een vorig leven denk ik.

Bang voor mijn broer als kip

Het beperkt zich helaas niet alleen tot kinderboerderijvogels of broers die kippen nadoen. Dat zou niet zo erg zijn wanneer je reeds 35 bent. Honden: bang voor. Katten: te eigenwijs. Muizen: schichtig, smerig en vooral doodeng. Ratten: overtreffende trap van muizen. Ganzen: meteen agressief als je op je dooie gemakkie langs wandelt. Duiven: onnozele beesten die altijd voor je fietswiel rondstappen en vervolgens in je gezicht fladderen met hun gore vleugels.

Laat staan wat er zou gebeuren als ik een olifant of giraf tegenkom. Niet te doen. Hoewel me dat ook wel weer indrukwekkende dieren lijken. Maar dan zou ik bang zijn dat ze me vermorzelen. Zo is er altijd wat, met elk dier.

Om me heen zie ik veel mensen die wél van dieren houden: Een ex-vriendje dat meteen de engste pitbulls ging aaien, m’n bovenbuurvrouw met haar zwarte katje Beppie, een echtpaar verderop in de straat met 16 teckels. Nee, ik overdrijf niet, het zijn er echt 16 en ze worden vaak tegelijkertijd uitgelaten. Als ik deze mensen zo zie, kan ik me best voorstellen dat je een bijzondere band met je huisdier opbouwt en dat je er iets aan hebt. Steun of plezier. Of een maatje om tegenaan te praten.

Zo passeerde ik deze week op straat een vrouw die tegen haar hond zei: “Is dat nou Weimarse staandehandig, Silver?” Gezien het uiterlijk van de hond, een statige Weimarse staande (ja, dat heb ik ook maar van Google hoor) denk ik dat het Silver op z’n Engels is, en niet ordinair Zilver. Het was mij niet duidelijk wat Silver dan voor onhandigs aan het doen was, maar goed. Silver wordt door deze vrouw als volwaardig beschouwd. De moeite waard om te waarschuwen voor onhandige zaken. Het heeft wel iets.

Na mijn wandeling kwam ik in het kader van dierendag een verzameling van de meest grappige Nederlandse dieren Instagram-accounts. Het gekke is dat sommige van deze dieren bijna honderdduizend volgers hebben. 100.000! Ik heb er 107. Nee, geen 107 duizend, nee.

Een poes of een hond?Ik word toch nieuwsgierig, dus ik ga even op Instagram kijken. Op ‘Insta’ zoals mijn jeugdige collega’s zeggen. Ik zie een rare poes met heel lang haar die op een hond lijkt, een konijn dat verdwijnt tussen het wasgoed in de wasmand en een eigenwijs Frans bulldogje. Aandoenlijk. Maar de meest opvallende is toch wel LouLou, een mopshond uit Dronten. LouLou staat werkelijk op elke foto raar aangekleed, alsof het een klein kind loulou3is dat in de verkleedkist gedoken is. Met brillen en knuffels. Als stoere vent achter het autostuur en als lief meisje in een bloemetjesveld. Bizar. Wie verzint nou zoiets.

Hé! Er komt een Facebook privébericht van een goede vriendin binnen.

Ik citeer: “Superleuke functie Marion, zou er zelf wel op willen solliciteren als ik niet te ver weg woonde. Kijk maar even. Goed doel in elk geval.”

Om welke organisatie het gaat? Stichting Dier&Recht. Oeps. Ai. Een greep uit de functieomschrijving: je zet je met hart en ziel in voor dieren. Je vertaalt interessant diergedrag in teksten. Je werkt samen met dierenartsen.

Het is inderdaad een goed doel, maar níet goed voor mij denk ik. Om met het baasje van Silver te spreken: “Is dat nou wel handig?” Het antwoord moge duidelijk zijn. Anders heb ik straks nog meer foto’s waar ik huilend op sta. En die tijd zijn we nu wel voorbij.