Het kan nog erger

Tuinieren is nooit mijn hobby geweest. Dat gefröbel met plantjes en bloemen. Ingewikkeld en burgerlijk dacht ik. Zelfs een cactus liet ik in no time doodgaan. Maar inmiddels ben ik om. En misschien ook wel burgerlijk. Ik zeg nu namelijk als het regent: ‘Ha, goed voor de plantjes!’ In plaats van: ‘Wat een k-weer.’

Het begon met de ouwe plantaardige meuk die de vorige bewoner op het balkon had achter gelaten. Op een gegeven moment begon ik me daar toch aan te storen. Ik dacht dit kan beter en vooral netter. Dus sleepte ik mijn broer mee naar het tuincentrum. Niet vanwege zijn botanische kennis, maar omdat hij een auto heeft. Ik kocht er één (1) hortensia. Livin’ on the edge. Die hortensia stond al gauw te shinen als een malle. Dat smaakte naar meer.

Niet veel later stond mijn hele balkon vol. Dit was pas het begin voelde ik. Ook op het dakterras heb ik toen schoon schip gemaakt en de boel opgevrolijkt. Maar ik wilde meer. Groter. Kleurrijker. Dus ben ik op straat verder gegaan met een aantal potten naast de voordeur. Geraniumpje hier, petuniaatje daar. Tralalalalalaaa.

De volgende stap was een heus tuintje. Hier stopt het avontuur dacht ik, want een tuin heb je niet op driehoog achter. Mispoes. Er was wel degelijk een tuintje in mijn buurt. Weliswaar niet voor mijn huis, maar voor dat van buurman J. Er stond geen groen goud in, dus dat tuintje heb ik gekaapt. Guerilla gardening. Mooie trend.

Terwijl iedereen op Tweede Kerstdag aan het uitbuiken was van de kerstdis, stond ik te graven. Ik had namelijk een groots plan met dat geveltuintje. Tulpen, ik wilde tulpen. Meteen ook maar wat narcisbollen geplant, als ik toch bezig was.

En voilà! In maart staken de eerste steeltjes boven de grond. Euforie! Al snel bloeiden de
tulpen en narcissen weelderig en kreeg ik complimenten van mijn buren over het vrolijke tuintje.

geveltuin_kleinTotdat het noodlot toesloeg. Twee weken geleden zag ik ’s ochtends dat mijn halve tuintje verwoest was. Tulpen waren afgeknaagd en lagen verspreid over de stoep. Narcissen waren uit een pot gerukt en ook een geranium was gemolesteerd. Potverdorie! Mijn mooie tulpen, bruut weggerukt door een vogel, kat of rat. Ik besloot de troep maar op te ruimen en het tuintje een beetje te herstellen.

De overburen parkeerden op dat moment net hun auto bij mij voor de deur. Mario & Truus, Ras-Amsterdammers met een pitbull én een teckel. “Godverdórie, nu kennuh we alwéér niet voor de deur parkeeeruh”, schetterde Truus. Ze heeft een stem als een bootwerker en is even breed als lang. Ik lachte inwendig, de auto stond namelijk op 6 meter afstand van hun voordeur. Ik liet ze met een sip gezicht de gemolesteerde tulpen zien. Truus ontstak nu helemaal in een woedeaanval. “En ik vond je tuintje juist soooo maaauuuii!!” Hè fijn, even wat begrip.

Die avond vertelde ik mijn First World Problems aan vriendin M. Gedeelde smart is halve smart. Na een paar dagen was ik het hele voorval natuurlijk al weer helemaal vergeten. Totdat M. me met Pasen een appje stuurde. Een nieuwsbericht: “Meeuwen vernielen Nederlandse bloemen op het Sint Pietersplein”. Och… Ik weet precies hoe ze zich daar in Vaticaanstad voelden. Het kan dus altijd erger.

Misschien moeten we volgend jaar Pasen Truus met haar pitbull en teckel naar Vaticaanstad sturen als vogelverschrikker. Ze mogen proefdraaien bij mijn tuintje.

 

Vreemde vogels

Laatst was ik ziek en daarom kwam mijn moeder op bezoek. Niks fijner dan een beschuitje en kopje thee van je moeder als je ziek bent. Ook al ben je al 33 jaar oud.
Nog voordat mijn moeder goed en wel binnen was en vroeg hoe het met me ging,
riep ze: “Weet je wat ik net zag hier op straat?!” “Nee, geen idee.” “Een man
met zeven teckels aan de lijn!!!” Ik moest mijn moeder teleurstellen, ik zie dit heerschap geregeld met tíen teckels. Inmiddels ben ik daar niet meer verbaasd over. Alles went. Al vraag ik me wel af wat je met tien teckels moet.

Ik zeg tegen moeders dat ik wel vaker vreemde vogels zie bij mij in de straat. En
dan doel ik niet op de grote groene parkieten die de hele stad bevolken.
Zo loopt er vaak een kale donkere man in een geheel wit pak en witte bril langs. Vroeger zou je trouwens gewoon neger zeggen, maar dat mag nu niet meer. Hij draagt altijd een heel grote radio op zijn schouder, waar uiteraard luide muziek uit komt. Zowel
zijn muziek als verschijning zorgen voor een vrolijke noot in de straat. Letterlijk en figuurlijk.

Iemand anders die voor vrolijkheid zorgt, is mijn onderbuurman. Deze beste man is Vogel
immer goedgemutst en heeft één onderwerp waar hij graag over praat. Het weer. Zodra we elkaar tegenkomen op straat, begint hij over het weer. Volgens hem is het elke dag goed weer. Fijn als je altijd één onderwerp paraat hebt om over te praten en zo opgeruimd in het leven staat. Wel zo overzichtelijk. Schrik dus niet als ik binnenkort op een feestje over het weer begin, schijnbaar word je er vrolijk van. Of werkt het andersom, dat een vrolijk persoon graag over het weer praat, bij gebrek aan problemen om over te praten?

Over opgeruimd gesproken: dat kun je van het hoekpand vlakbij mijn supermarkt niet zeggen. Daar woont een man die zijn hele huisje, een voormalig winkelpand, volgestouwd heeft met rommel. Vaak staat de deur open en hij heeft doorschijnende rolgordijnen, dus je kunt alles zien. Van onder tot boven en van links tot rechts: troep. Hoe kun je hier leven vraag ik me af. Wie wat bewaart, heeft wat, schijnt deze man denken. Zou die man met al die teckels dat ook denken? Wel opvallend trouwens dat alle vreemde vogels in mijn buurt mannen zijn. Dit kan geen toeval zijn.

Het beschuitje en kopje thee zijn op. Mijn moeder is helemaal op de hoogte van de vreemde buurtvogels en gaat weer weg. Morgen kan ik niet komen, zegt ze. Dat geeft niet mam, want met dit soort fascinerende mensen in de straat, verveel ik me geen seconde. Je zou je er haast een extra dag voor ziek melden.